Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG9612

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-12-2008
Datum publicatie
13-01-2009
Zaaknummer
08/606 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Verzet gegrond. De brief van 22 december 2007 was bij ontvangst niet (zonder meer) als een beroepschrift aan te merken. Appellante heeft geen beroep ingesteld bij de Raad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/606 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

met toepassing van artikel 17 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrechtspraak in het geding tussen:

[Naam appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: PUR)

Datum uitspraak: 30 december 2008

I. PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 17 van de Beroepswet van 26 juni 2008 (hierna ook: aangevallen uitspraak) heeft de Raad een op naam van appellante geregistreerd beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Appellante heeft tegen die uitspraak verzet gedaan.

Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 4 december 2008. Appellante en de PUR zijn daar, zoals door hen bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Bij beslissing van 23 oktober 2007 heeft de PUR een bezwaar van appellante tegen de beslissing tot afwijzing van een aanvraag van haar op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: Wubo) ongegrond verklaard.

1.2. In een bij de PUR op 28 december 2007 ontvangen brief van appellante van 22 december 2007 heeft appellante de PUR een reactie gevraagd op passages in een haar kennelijk bij brief van 8 oktober 2007 toegezonden rapport dat was opgemaakt in verband met haar aanvraag.

De PUR heeft die brief aan de Raad doorgezonden omdat die mogelijk aangemerkt zou kunnen worden als een beroepschrift als bedoeld in artikel 56 van de Wubo.

1.3. De Raad heeft die brief als een ingekomen beroepschrift behandeld. Vervolgens is bij brieven van 14 februari 2008 griffierecht geheven van appellante en is haar gevraagd mee te delen om welke reden zij de beroepstermijn had overschreden. Appellante heeft het griffierecht betaald en informatie gegeven over de gang van zaken. Daaruit blijkt dat appellante niet de bedoeling had beroep in stellen bij de Raad, maar dat ze inmiddels besloten had ‘het beroep doorgang te laten vinden’. Ze concludeerde dat een en ander buiten haar schuld was.

1.4. In haar verzetschrift tegen de aangevallen uitspraak heeft appellante erop gewezen dat de onder 1.2 bedoelde brief van haar van 22 december 2007 een persoonlijk schrijven was aan een medewerkster van de PUR en “in geen enkel opzicht bedoeld was als aanvang van een verdere beroepsprocedure”. Zij veronderstelt dat de PUR buiten haar om beroep heeft ingesteld en eindigt haar verzetschrift met de zin: “Mocht het bovenstaande voor U geen aanleiding zijn het beroep alsnog in behandeling te nemen, verzoek ik U het gestorte “griffie”geld (€ 35,-) terug te storten omdat deze procedure niet door mij aangevraagd is.”

2. De Raad overweegt naar aanleiding hiervan het volgende.

2.1. Hij volgt appellante in haar opvatting dat haar brief van 22 december 2007 bij ontvangst niet (zonder meer) als een beroepschrift was aan te merken. In plaats van appellante te vragen naar de strekking van die brief en daarbij reeds melding te maken van de vermoedelijke gevolgen van het late tijdstip van verzending daarvan, zijn haar de onder 1.3 bedoelde brieven van 14 februari 2008 verzonden. Die hebben een, naar door appellante opnieuw is verklaard, niet bedoelde procedure in gang gezet. In weerwil van de onder 1.3 geciteerde uitlating van appellante moet dan ook worden vastgesteld dat appellante geen beroep heeft ingesteld bij de Raad.

Omdat de aangevallen uitspraak ten onrechte tot uitgangspunt heeft dat appellante wel beroep heeft ingesteld, moet het verzet tegen die uitspraak gegrond worden verklaard.

3. Ter voorlichting van appellante merkt de Raad op dat uit deze beslissing van de Raad voortvloeit dat de griffier van de Raad het ten onrechte van appellante geheven griffierecht aan haar zal terugbetalen.

4. Ten overvloede merkt de Raad op dat hij de doorzending door de PUR van de brief van appellante als een mogelijk beroepschrift, juist acht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het verzet gegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en A. Beuker-Tilstra en T. van Peijpe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 december 2008.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) K. Moaddine.

HD