Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG9497

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2008
Datum publicatie
12-01-2009
Zaaknummer
06/7276 MAW + 07/360 MAW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2006:AZ5900, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongeval tijdens Groene dagen 2005. Geen sprake van 'onder oorlogsnabootsende omstandigheden in de praktijk brengen'. Activiteit aan te merken als het oefenen van een militaire basisvaardigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2009/88
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/7276 MAW en 07/360 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Defensie (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 15 december 2006, 05/8538 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 18 december 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend, waarop appellant heeft gereageerd.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 22 december 2006 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, waarop betrokkene heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2007, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door P.J.H. Souren, werkzaam bij de Stichting Pensioenfonds ABP. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door

mr. T.H. ten Wolde, advocaat te Woerden.

Na de zitting is het onderzoek heropend. De Raad heeft aan appellant schriftelijk nadere vragen gesteld. Deze heeft hierop bij brief van 8 februari 2008 geantwoord. Daarop heeft betrokkene gereageerd bij brief van 27 mei 2008.

Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van 9 oktober 2008, waar partijen zijn verschenen in dezelfde samenstelling als op 18 oktober 2007.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene is werkzaam in de rang van adjudant-onderofficier als [naam functie] bij het [naam dienstonderdeel] van de Koninklijke landmacht. Van 8 tot en met 10 juni 2005 heeft hij, ingevolge OTC-order 02/05 van de commandant [naam dienstonderdeel], verplicht deelgenomen aan de zogeheten Groene dagen 2005. Op 9 juni 2005, omstreeks 12.30 uur, is betrokkene tijdens het nemen van de touw-hindernisbaan van een hoogte van ongeveer drie meter neergevallen. Hierbij heeft hij zijn zesde nekwervel gebroken. Van dit ongeval is een proces-verbaal van ongeval opgemaakt, zoals voorgeschreven in artikel 2 van de Regeling proces-verbaal ongeval en rapportage medische aangelegenheden (hierna: Regeling proces-verbaal).

1.2. Bij besluit van 1 juli 2005 heeft appellant, op grond van artikel 147 van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) in verbinding met artikel 2 van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen (hierna: Besluit AO/IV), beslist dat dit ongeval wel als een bedrijfsongeval, maar niet als een dienstongeval kan worden aangemerkt. Dit besluit is, na bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 26 oktober 2005.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank met bijkomende bepalingen over griffierecht en proceskosten. Daartoe heeft zij in hoofdzaak overwogen dat de Groene dagen 2005, gelet op het doel ervan, zijn te beschouwen als een (militaire) oefening, zoals gedefinieerd in artikel 54a, onder m, van het AMAR, en dat er derhalve sprake was van buitengewone of daarmee vergelijkbare omstandigheden als bedoeld in artikel 4, onder a, van de Regeling proces-verbaal, hetgeen meebrengt dat het aan betrokkene overkomen ongeval moet worden aangemerkt als een dienstongeval.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat de rechtbank een onjuist toetsingskader heeft aangelegd. Zij had moeten toetsen aan het Besluit AO/IV, waarin de bijzondere aanspraken bij invaliditeit met dienstverband, onderscheidenlijk arbeidsongeschiktheid met dienstverband zijn vastgelegd. De Groene dagen 2005, althans het gedeelte dat plaatsvond op 9 en 10 juni 2005, voldoen niet aan de criteria van artikel 2, zesde lid, aanhef en onder a, van het Besluit AO/IV, zodat van een dienstongeval in de zin van dat artikelonderdeel geen sprake kan zijn. Gelet op de ontstaansgeschiedenis van het Besluit AO/IV moet aan het daar gemaakte principiële onderscheid tussen dienstongevallen en bedrijfsongevallen strikt de hand worden gehouden.

3.2. Betrokkene heeft in hoger beroep bestreden dat de rechtbank een onjuist toetsingskader heeft aangelegd. Echter ook in het licht van het Besluit AO/IV is zijn inziens voldaan aan de criteria om van een dienstongeval te kunnen spreken.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Wat het toetsingskader betreft onderschrijft de Raad de stelling van appellant, dat voor het vaststellen van de eventuele invaliditeitsaanspraken van betrokkene met name artikel 2, derde en volgende leden, van het Besluit AO/IV van belang is. Anders dan door betrokkene en de rechtbank wordt aangenomen, komt voor het inhoudelijk vaststellen van de eventuele invaliditeitsaanspraken van betrokkene geen betekenis toe aan de - ruimere en voor een ander doel gegeven - omschrijving in artikel 54a, onder m, van het AMAR, dat betrekking heeft op werk- en rusttijden. Evenmin komt zodanige inhoudelijke betekenis toe aan artikel 4, onder a, van de Regeling proces-verbaal, welke regeling, zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 25 september 2003, LJN AM2958, en 15 april 2004, LJN AO8360) slechts een samenstel van regels bevat voor het opmaken van proces-verbaal.

4.2. Artikel 2 van het Besluit AO/IV maakt zoals onder 1.2 vermeld, onderscheid tussen arbeidsongeschiktheid met dienstverband enerzijds, en invaliditeit met dienstverband anderzijds. Appellant heeft erkend dat in het geval van betrokkene sprake is van arbeidsongeschiktheid met dienstverband. Om van invaliditeit met dienstverband te kunnen spreken moet er - voor zover hier van belang - sprake zijn van een invaliditeit van ten minste 10%, die verband houdt met de uitoefening van de militaire dienst in buitengewone of daarmee vergelijkbare omstandigheden. Daartoe wordt ingevolge het zesde lid van artikel 2 van het Besluit AO/IV mede gerekend: “het onder oorlogsnabootsende omstandigheden in praktijk brengen van theoretisch onderwezen bekwaamheden teneinde aldus de bedrevenheid in het uitvoeren van oorlogstaken te verwerven, op te voeren of te onderhouden, voor zover sprake is van een verhoogd risico; (...) een en ander voor zover de gebruikelijke veilig-heidsmaatregelen ter bescherming van de gezondheid geheel of gedeeltelijk door de (…) bevelhebber der Landstrijdkrachten buiten werking zijn gesteld.”

4.3. De Raad komt thans toe aan de toetsing aan de zojuist weergegeven bepaling.

4.4. Daarbij stelt de Raad allereerst vast dat door appellant in antwoord op een nadere vraag van de Raad, is verklaard dat in de praktijk aan de laatste zinsnede van artikel 2, zesde lid, van het Besluit AO/IV (“een en ander voor zover (…) buiten werking zijn gesteld”) alleen toepassing wordt gegeven in de in het zesde lid, onder b, genoemde bijzondere gevallen. In de gevallen bedoeld in het zesde lid, onder a, vindt in de praktijk geen (formele) buitenwerkingstelling van de gebruikelijke veiligheidsmaatregelen plaats. De Raad concludeert hieruit dat aan het niet voldaan zijn aan het vereiste in laatstgenoemde zinsnede voor het onderhavige geval geen doorslaggevende betekenis mag worden gehecht.

4.5. Partijen verschillen in de kern van mening over de vraag of de Groene dagen 2005 moeten worden aangemerkt als ‘onder oorlogsnabootsende omstandigheden in de praktijk brengen van theoretisch onderwezen bekwaamheden, teneinde aldus de bedrevenheid in het uitvoeren van oorlogstaken te verwerven, op te voeren, of te onderhouden’, als bedoeld in artikel 2, zesde lid, onder a, van het Besluit AO/IV.

4.5.1. Appellant heeft in dit verband betoogd dat de aard van het Besluit AO/IV meebrengt, dat de omschrijving in artikel 2, zesde lid, van dat besluit, enkel kan zien op “echte”, dat wil zeggen exclusief militaire, oefeningen. De deelname op 9 en 10 juni 2005 door burgerambtenaren in het kader van saamhorigheid ontneemt op die dagen aan de oefening per definitie het oorlogsnabootsende karakter. Appellant heeft voorts gesteld, dat het nemen van de touwhindernisbaan, waarbij het ongeval plaatsvond, onderdeel uitmaakte van het oefenen van de militaire basisvaardigheden, zoals ook kan worden afgeleid uit de aanwezigheid van een instructeur, die de oefening voordeed. Ook om die reden kan niet gesproken worden van een “echte” militaire oefening, aldus appellant. Aan de vooraf gedane mededeling van de commandant [naam dienstonderdeel], dat sprake was van een oefening, mag in dit verband geen betekenis worden gehecht, aldus appellant, omdat uitsluitend de staatssecretaris bevoegd is - achteraf - vast te stellen of sprake is geweest van een dienstongeval.

4.5.2. Betrokkene heeft hier tegenovergesteld dat het enkele feit dat burgerdefensie-personeel (vooral als toeschouwer) aan de Groene dagen mee mocht doen, aan het karakter van “echte” militaire oefening niet kon afdoen. Betrokkene heeft hierbij (nogmaals) verwezen naar een brief van 13 augustus 2002 van de Directeur Personeel en Organisatie aan de commandanten. Daarin wordt het belang benadrukt om met het oog op de rechtspositionele gevolgen voor betrokkenen, vooraf volstrekt duidelijk te maken of activiteiten al dan niet het karakter van oefening hebben. Betrokkene stelt dat hij heeft mogen vertrouwen op de kwalificatie “oefening”, zoals die door de commandant van het [naam dienstonderdeel] is gegeven aan de Groene dagen 2005, evenals op het proces-verbaal van het ongeval waarin deze kwalificatie wordt gebezigd. Voorts heeft betrokkene erop gewezen, dat het nemen van de touwhindernisbaan moest geschieden na een fysiek inspannend programma.

4.6. Anders dan appellant acht de Raad voor de vraag of er sprake was van ‘onder oorlogsnabootsende omstandigheden in praktijk brengen’, als bedoeld in artikel 2, zesde lid, onder a, van het Besluit AO/IV, niet van beslissende betekenis of de desbetreffende dag een exclusief militair karakter had. Wel beslissend is naar het oordeel van de Raad, of tijdens het nemen van de touwhindernisbaan daadwerkelijk sprake was van het in de praktijk brengen van verworven bekwaamheden onder oorlogsnabootsende omstandig-heden. De Raad is met appellant van oordeel dat in dit geval van oorlogsnabootsende omstandigheden geen sprake was. De activiteit moet - mede gelet op de aanwezigheid van een instructeur en op de gelijkenis van het afgelegde programma met de zogenaamde FIT-test - worden gekwalificeerd als het oefenen van een militaire basisvaardigheid. De Raad merkt hierbij op dat in OTC-order 02/05 onder punt 1 is vermeld dat de Groene dagen worden georganiseerd om de militairen de gelegenheid te bieden de militaire basisvaardigheden op peil te houden of te brengen en dat ook in het proces-verbaal van het ongeval als toelichting bij het antwoord dat sprake was van “oefeningen” met zoveel woorden staat vermeld dat het ging om het oefenen van militaire basisvaardigheden.

4.7. De Raad is voorts van oordeel dat aan de in het proces-verbaal en in de voorafgaande OCVust-order gebezigde kwalificatie “oefening(en)” reeds hierom geen beslissende betekenis kan worden toegekend, nu de Raad is gebleken dat het begrip “oefening” ten tijde in geding door de verantwoordelijke functionarissen losweg werd gebruikt, zonder dat men zich steeds voldoende rekenschap gaf van de betekenis die dat begrip - in samenhang met de toespitsing van het begrip dienstongeval - in het Besluit AO/IV heeft gekregen. Daarbij komt nog, dat - zoals appellant met juistheid heeft gesteld - het op grond van artikel 147 van het AMAR de staatssecretaris is die exclusief bevoegd is om, na een beoordeling van alle relevante aspecten van een ongeval, achteraf vast te stellen of sprake was van een dienstongeval tijdens de uitoefening van de militaire dienst onder buitengewone of daarmee vergelijkbare omstandigheden.

5. Gelet op het vorenoverwogene moet de aangevallen uitspraak worden vernietigd. Hiermee ontvalt tevens de grondslag aan het ter uitvoering van die uitspraak gegeven nieuwe besluit van 22 december 2006, zodat ook dit besluit moet worden vernietigd.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond;

Vernietigt het besluit van 22 december 2006.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en

K. Zeilemaker en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 december 2008.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

Q