Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG9251

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-12-2008
Datum publicatie
13-01-2009
Zaaknummer
07-2578 WAO + 08-6326 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Nader besluit. Niet voldaan aan opleidingseis bij de functie van houtwarensamensteller. Schatting berust op onvoldoende functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2578 WAO en 08/6326 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 april 2007, 06/1800 en 06/3535 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 december 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K. de Bie, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend met als bijlage een rapport van bezwaarverzekeringsarts W. Ebbelaar van 9 juli 2007.

Bij brief van 28 oktober 2008 is door appellant een nadere arbeidskundige grief naar voren gebracht.

Naar aanleiding hiervan heeft het Uwv een nieuw besluit op bezwaar van 31 oktober 2008 genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2008.

Namens appellant is zijn gemachtigde verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Zaagsma.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als voorman. Vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet is hem - na het doorlopen van de wettelijke wachttijd na zijn ziekmelding - een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.2. Op 23 mei 2005 heeft appellant zich bij het Uwv toegenomen arbeidsongeschikt gemeld en om een herbeoordeling verzocht. Bij brief van 13 december 2005 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een besluit op zijn verzoek van

23 mei 2005. Bij besluit op bezwaar van 23 mei 2006 is dit bezwaar gegrond verklaard.

1.3. Bij besluit van 12 juli 2006 heeft het Uwv appellant medegedeeld dat de mate van arbeidsongeschiktheid per 29 januari 2005 ongewijzigd dient te worden vastgesteld op 25 tot 35%.

1.4. Bij besluit op bezwaar van 13 november 2006 is het tegen het besluit van 12 juli 2006 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 23 mei 2006 gegrond verklaard met aanvullende beslissingen over de vergoeding van het door appellant betaalde griffierecht en gemaakte proceskosten. Het beroep tegen het besluit van 13 november 2006 (bestreden besluit 1) is door de rechtbank ongegrond verklaard.

3.1. Tegen het oordeel van de rechtbank over de medische onderbouwing van bestreden besluit 1 is in hoger beroep aangevoerd dat appellant sedert jaar en dag klachten aan zijn nek en veelvuldig hoofdpijnklachten heeft, welke in 1992 door middel van röntgenonderzoek zijn geobjectiveerd. Daarnaast heeft appellant rugklachten, uitstralend naar de benen. Gesteld is dat deze klachten en beperkingen in de loop der jaren slechts zijn toegenomen. Ten onrechte heeft het Uwv deze beperkingen vanaf 2002 niet meer erkend. Weliswaar heeft het Uwv appellant per 29 januari 2005 in psychische zin meer beperkt geacht dan voorheen, maar ten onrechte is daarbij geen acht geslagen op de toegenomen nek- en rugklachten. Uit radiologisch onderzoek kan worden geconcludeerd dat er forse afwijkingen bestaan op cervicaal niveau alsmede een afwijking op lumbaal niveau. Appellant is van mening dat de - te algemeen gestelde - conclusie van het Uwv dat er geen sprake is van functieverlies geen stand kan houden.

3.2. Tegen het oordeel van de rechtbank over de arbeidskundige onderbouwing van bestreden besluit 1 is in hoger beroep aangevoerd dat de hem door het Uwv voorgehouden functies in medisch opzicht niet passend zijn, omdat deze functies een bijzondere belasting kennen op de items duwen/trekken, dragen, tillen. buigen, reiken en bovenhands werken. Voorts is gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat ‘technisch inzicht’ bij de functie houtwarensamensteller in deze geen opleidingseis zou zijn. Verder is naar voren gebracht dat het Uwv is uitgegaan van een onjuist maatmaninkomen van appellant.

3.3. Bij besluit van 31 oktober 2008 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellant alsnog gegrond verklaard en de WAO-uitkering per 29 januari 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

4.1. De Raad is van oordeel dat de beperkingen van appellant door een voldoende zorgvuldig medisch onderzoek zijn vastgesteld. De verzekeringsarts die op 23 september 2005 het primaire verzekeringsgeneeskundige onderzoek heeft verricht, heeft appellant - in vergelijking met een eerdere beoordeling - aanvullend beperkt geacht ten aanzien van conflicthantering, werken in hoog tempo en avond- en nachtdiensten. Appellant is verder aangewezen op werk zonder verhoogd persoonlijk risico. Volgens de verzekeringarts is de datum van ingang van de toegenomen beperkingen te stellen op 1 januari 2005.

Bezwaarverzekeringsarts W. Ebbelaar, die appellant op 3 oktober 2006 heeft onderzocht, heeft na kennisneming van de informatie van psychiater H.W.F. Dalmeijer van 5 oktober 2006, van huisarts C.M.E.J. Boedojo van 8 en 11 oktober 2006 en van radioloog dr. D.G. Franssen-Franken van 9 oktober 2006, overwogen dat een beperking ten aanzien van de aspecten duwen, dragen, tillen, buigen, reiken en bovenhands werken niet is geïndiceerd. De functie van de nek, schouders en rug is normaal en in het geval van arthrose komt het vaak voor dat röntgenologisch sprake is van een ernstig beeld met forse afwijkingen, zoals beschreven door radioloog Franssen-Franken, maar dat hoeft niet gepaard te gaan met functieverlies. De bezwaarverzekeringsarts heeft daaraan nog toegevoegd dat ook in 2002 geen sprake was van functiebeperkingen en dat de beenklachten van appellant niet kunnen worden geobjectiveerd, waarna zij tot de conclusie is gekomen dat er geen medische argumenten zijn om af te wijken van het primaire medische oordeel. De bezwaarverzekeringsarts heeft haar standpunt nog eens duidelijk verwoord in haar rapport van 9 juli 2007. De Raad heeft geen aanknopingspunten gezien om te twijfelen aan de voor appellant aangenomen beperkingen. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht de medische onderbouwing van bestreden besluit 1 onderschreven.

4.2. Bestreden besluit 2 berust op het nader arbeidskundig rapport van 31 oktober 2008, opgesteld door bezwaararbeidsdeskundige L. Lind. Deze heeft het maatgevend inkomen van appellant nader bepaald op € 16,79. Vergelijking van dit maatgevende inkomen met het zogeheten mediane loon geeft een verlies te zien van 37,11%. Dit betekent dat het Uwv in bestreden besluit 2 te kennen heeft gegeven de in bestreden besluit 1 neergelegde arbeidskundige grondslag van de schatting niet te handhaven. Gelet hierop dient, met vernietiging van de aangevallen uitspraak, het beroep tegen bestreden besluit 1 alsnog gegrond te worden verklaard.

4.3. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant medegedeeld dat met bestreden besluit 2 is tegemoetgekomen voor zover het het maatgevende inkomen betreft. Appellant handhaaft echter zijn bezwaren tegen de functie van houtwarensamensteller. Gelet hierop is met bestreden besluit 2 niet geheel tegemoetgekomen aan het beroep van appellant. Hieruit vloeit voort dat de Raad bestreden besluit 2, met overeenkomstige toepassing in hoger beroep van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in de procedure dient te betrekken. Dit betekent dat het beroep tegen bestreden besluit1 geacht wordt mede te zijn gericht tegen bestreden besluit 2.

4.4. De Raad stelt vast dat de schatting berust op de functie wikkelaar, samensteller electronische apparatuur (sbc-code 267050), de functie houtwarensamensteller (sbc-code 262140) en de functie machinaal metaalbewerker (sbc-code 264122). De Raad is van oordeel dat deze functies in medisch opzicht geschikt voor appellant kunnen worden geacht. De Raad sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank daarover in de aangevallen uitspraak heeft overwogen.

4.5. De Raad stelt echter tevens vast dat bij de functie van houtwarensamensteller “technisch inzicht” als opleidingseis is vermeld, terwijl appellant onweersproken heeft gesteld dat hij daarover niet beschikt. Weliswaar is in het resultaat functiebeoordeling vermeld dat de betrokken werknemer afhankelijk van technisch inzicht wordt belast met eenvoudige danwel meer complexere assembleerwerkzaamheden, maar zulks impliceert nog niet dat de desbetreffende arbeid geheel zonder technisch inzicht kan worden verricht, zoals de Raad al eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 11 mei 2007,

LJN BA6387. Bovendien heeft het Uwv niet aangegeven of (voldoende) toegelicht wat de betekenis is van het begrip technisch inzicht in het algemeen en in relatie tot de geselecteerde functie. De Raad merkt nog op dat de enkele verwijzing naar de werkzaamheden van appellant in de landbouw en de bouw niet kan worden beschouwd als een deugdelijke onderbouwing van de passendheid van deze functie.

4.6. Met het wegvallen van deze functie berust de schatting op onvoldoende functies, zodat het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond dient te worden verklaard en dit besluit dient te worden vernietigd.

5. De Raad acht termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep, ten bedrage van € 644,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak behoudens voor zover daarbij is besloten omtrent het besluit van 23 mei 2006 en vergoeding aan appellant van griffierecht en proceskosten;

Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond en vernietigt dat besluit;

Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep, te begroten op € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van € 106,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 december 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

KR