Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG9250

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-12-2008
Datum publicatie
13-01-2009
Zaaknummer
07-3353 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking (volledige) WAO-uitkering. Wisseldiensten, ploegendiensten. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in overleg met de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat de eis moet worden gesteld dat betrokkene niet bloot gesteld mag worden aan te grote verschuivingen in haar arbeidstijd. De Raad is van oordeel dat in dit geval onvoldoende is onderbouwd dat is voldaan aan deze eis.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2009/53
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3353 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 25 mei 2007, 06/3866 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Naam betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 24 december 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. B.J.M. de Leest, advocaat te Utrecht, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put. Voor betrokkene is verschenen mr. De Leest voornoemd.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 28 maart 2006 heeft het Uwv de uitkering van betrokkene ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 29 mei 2006 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.

1.2. Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 25 september 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

Het bestreden besluit berust op het standpunt dat betrokkene op 29 mei 2006, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat zij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de aan haar voorgehouden drie functies met het voor haar geldende maatmaninkomen resulteert volgens appellant in een verlies aan verdiencapaciteit dat minder is dan 15%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en aan appellant opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar van betrokkene te nemen. Voorts is appellant daarbij veroordeeld tot het vergoeden van het door betrokkene betaalde griffierecht en de door haar gemaakte proceskosten.

2.1. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat appellant bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid in voldoende mate rekening heeft gehouden met de beperkingen van betrokkene. Het bestreden besluit berust dan ook op een toereikende medische grondslag. Het beroep is echter gegrond verklaard omdat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit volgens de rechtbank niet juist is. In de aangevallen uitspraak waarin betrokkene wordt aangeduid als eiseres en appellant als verweerder, wordt hierover het volgende overwogen:

“Ten aanzien van de arbeidsdeskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de rechtbank dat de grief van eiseres dat voor haar ten onrechte een functie is geduid waarin zich wisseldiensten zullen voordoen, doel treft. De bezwaarverzekeringsarts heeft eiseres beperkt geacht voor het ’s nachts werken (item 6.1 op de FML) en aangegeven dat zij geen wisseldiensten kan draaien (item 6.4 op de FML). Bezwaararbeidsdeskundige C.P. van Wijk heeft in zijn toelichting op de functie controleur, tester elektrotechnische apparatuur SBC-code 267060, aangegeven dat deze functie na overleg met de bezwaarverzekeringsarts, ondanks het gegeven dat hierin wisselende diensten voorkomen, toch geschikt is te achten voor eiseres. Doorslaggevend is, zo blijkt uit de toelichting, dat de wisselende diensten een ochtenddienst betreffen van 06.00 uur tot 14.30 uur of een middagdienst van 14.30 tot 23.00 uur. Eiseres hoeft derhalve niet ’s nachts te werken, waarmee de functie volgens de bezwaararbeidsdeskundige toch passend is. De bezwaarverzekeringsarts heeft het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige op dit punt expliciet geaccordeerd. De rechtbank volgt deze redenering niet. Indien ervan uit zou worden gegaan dat slechts het ’s nachts werken te belastend zou zijn voor eiseres, had de bezwaarverzekeringsarts kunnen volstaan met een enkele beperking op het eerdergenoemde aspect 6.1 op de FML. De bezwaarverzekeringsarts heeft echter ook een afzonderlijke beperking op het aspect 6.4 op de FML aangenomen. Dit brengt met zich mee dat eiseres zowel ’s nachts als overdag niet geschikt is te achten voor het werken in wisselende diensten. Een andere uitleg dan de vorenstaande zou de aangenomen beperking op het aspect 6.4 naar het oordeel van de rechtbank zinledig maken. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), waaronder de uitspraak van 30 maart 2007, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder nummer LJN:BA2095 dienen de verzekerde en de toetsende instantie uit te gaan van de juistheid van een door de (bezwaar)verzekeringsarts vastgestelde beperking. Het is niet aanvaardbaar dat de bezwaarverzekeringsarts en bezwaararbeidsdeskundige achteraf nader beoordelen of de vastgestelde beperking vatbaar is voor relativering, zoals in het onderhavige geding is gebeurd. De functie van controleur, tester elektronische apparatuur is gelet op het voorgaande voor eiseres niet passend te noemen. Dit heeft tot gevolg dat één van de drie voor eiseres geduide functies wegens ongeschiktheid daarvan komt te vervallen, waardoor er onvoldoende functies resteren om aan de schatting ten grondslag te leggen.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het om die reden niet in stand kan blijven. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.”

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd het niet eens te zijn met het oordeel van de rechtbank en heeft daarbij verwezen naar de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts B.C. Bockwinkel van 1 juni 2007 en van de bezwaararbeidsdeskundige C.P. van Wijk, eveneens van 1 juni 2007.

3.1. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn beschouwing aangegeven dat hij met het aanstrepen van “geen wisseldiensten” in de FML niet alle soorten wisseldiensten heeft bedoeld. De beperking had betrekking op de gedachte dat betrokkene per periode niet moet worden geconfronteerd met een sterk in uren onderbroken wisseldienst. Bijvoorbeeld ‘s morgens van 8.00 tot 12.00 uur werken en dan ’s avonds nog eens vier uur van bijvoorbeeld 18.00 tot 22.00 uur. Het ging de bezwaarverzekeringsarts erom dat betrokkene per arbeidsperiode een vast patroon had zonder onderbrekingen maar dat wil niet zeggen dat ze per periode haar arbeidspatroon niet zou kunnen opschuiven. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts aangegeven dat het ondoenlijk is om bij elk aangekruist punt en opmerking in de FML op voorhand nuances aan te brengen als richtsnoer voor de arbeidsdeskundige bij de functieduiding. De professionele eindselectie is juist bedoeld om in dit geval het standpunt aangaande de beperking onder item 6.4 in de FML te nuanceren, als de verzekeringsarts wordt geconfronteerd met een specifieke eis in een specifieke functie.

3.2. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in zijn rapport aangegeven zich volledig te kunnen vinden in hetgeen gesteld is door de bezwaarverzekeringsarts. Verder maakt hij de volgende opmerkingen:

"In mijn arbeidskundige rapportage in bezwaar van 19-9-2007 heb ik in de motivering bij SBC-code 267060 duidelijk aangegeven dat (in overleg met de bezwaarverzekeringsarts) betrokkene niet blootgesteld dient te worden aan te grote verschuivingen in te werken periodes. Als voorbeeld heb ik aangegeven dat van een dergelijke te grote verschuiving sprake zou zijn als er nachtdiensten gedraaid zouden moeten worden. Omdat hier sprake is van ochtend- en middagdiensten doet zich een dergelijk ongewenste verschuiving niet voor. Ik heb dus zeker niet gesteld dat omdat er ’s nachts niet behoeft te worden gewerkt de functie toch passend is. Deze argumentatie is voor rekening van de Rechtbank maar strookt niet met mijn gegeven motivering.

Bijkomend ben ik de mening toegedaan dat deze zaak al in bezwaar uitvoerig en volledig is gemotiveerd. Was dit niet zo geweest en had de motivering betreffende de wisselende diensten in de beroepsprocedure nog gegeven moet worden had ik het door de Rechtbank als fataal aangemerkte gebrek nog enigszins kunnen bevatten. Nu echter in bezwaar zelfs de gegeven nuancering in mijn rapportage door de bezwaarverzekeringsarts uitdrukkelijk is geaccordeerd begrijp ik het ingenomen standpunt van de Rechtbank niet. De FML én de medische rapportage én het overleg (B)AD/(B)VA zijn met betrekking tot (de interpretatie van) de belastbaarheid onlosmakelijk met elkaar verbonden. Ik zou deze casus op dit punt juist willen aanmerken als voorbeeld hoe het eigenlijk altijd zou moeten."

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. De verzekeringsarts van W.R. van Oostendorp heeft bij de invulling van de FML in rubriek 6 “Werktijden” onder 6.1 “Perioden van het etmaal” aangegeven dat betrokkene ’s nachts niet kan werken. Voorts heeft hij onder 6.4 “Overige beperkingen ten aanzien van werktijden” aangegeven: geen wisseldiensten. In het “resultaat functiebeoordeling” van de functie controleur, tester elektronische apparatuur (Sbc Code 267060) verscheen bij het item 6.4.1 een markering omdat bij de functie staat aangegeven dat er sprake is van wisselende diensten. De bezwaararbeidsdeskundige C.P. van Wijk heeft in een rapport van 19 september 2006 een motivering bij die markering gegeven. Deze luidt als volgt: “Betrokkene dient niet blootgesteld te worden aan te grote verschuivingen in te werken periodes. Zo is het draaien van wisselende diensten/ploegendiensten waarbij ook sprake is van nachtdiensten niet mogelijk. Wisselende diensten waarbij zoals hier sprake is van ochtenddienst (6 tot 14.30 uur) en middagdienst (14.30 tot 23.00 uur) zijn wel mogelijk. Besproken op 19-9-2006 met bezwaarverzekeringsarts B.C. Bockwinkel. De functie is passend op dit punt.” Onder de opmerkingen bij deze functie heeft de bezwaarverzekeringsarts zijn paraaf geplaatst met de vermelding “gezien”.

4.2. Zoals onder 3.1 is aangegeven heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 1 juni 2007 een toelichting gegeven bij hetgeen hij heeft bedoeld met het aankruisen van “geen wisseldiensten” in de FML. De bezwaarverzekeringsarts is echter niet degene die de FML heeft opgesteld. Dit is het werk geweest van de verzekeringsarts Van Oostendorp. De bezwaarverzekeringsarts geeft derhalve een toelichting op hetgeen de verzekeringsarts Van Oostendorp zal hebben bedoeld zonder dat blijkt of hij dit ook bij hem heeft geverifieerd. De Raad acht het niet aannemelijk dat de verzekeringsarts bij het begrip “wisseldiensten” de onderbroken dienst voor ogen heeft gehad zoals de bezwaarverzekeringsarts die heeft beschreven, nu daarmee aan “wisseldiensten” een uitleg worden gegeven die niet overeenkomt met hetgeen in het spraakgebruik onder dit begrip wordt verstaan, namelijk: “(ploegen)dienst waarbij verschillende mensen op verschillende tijdstippen werken” (Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal, 14e herziene uitgave, 2005). Bij de onderbroken dienst zoals de bezwaarverzekeringsarts die heeft beschreven wordt niet op verschillende tijden gewerkt maar kennelijk op vaste tijden, zij het dat de werktijd wordt onderbroken door een aantal vrije uren.

4.3. De Raad onderschrijft op zichzelf de opmerking van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige dat het in principe mogelijk moet zijn om in de bezwaarfase een nadere nuancering aan te brengen in de FML zoals die door de primaire verzekeringsarts is opgesteld. Dit past in het kader van de integrale heroverweging die appellant in de bezwaarprocedure verricht. Een nadere nuancering moet echter wel op een behoorlijke wijze worden gemotiveerd. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in overleg met de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat de eis moet worden gesteld dat betrokkene niet bloot gesteld mag worden aan te grote verschuivingen in haar arbeidstijd. De Raad is van oordeel dat in dit geval onvoldoende is onderbouwd dat is voldaan aan deze eis. De verschuiving van een vroege dienst (6 uur tot 14.30 uur) naar een late dienst (14.30 tot 23.00 uur) moet naar het oordeel van de Raad wel degelijk als een grote verschuiving worden aangemerkt. De bezwaarverzekeringsarts heeft niet gemotiveerd waarom een dergelijke grote verschuiving vanuit medisch oogpunt geen bezwaar is. De enkele vermelding “gezien” acht de Raad niet voldoende.

4.4. Uit het vorenstaande vloeit voor dat het hoger beroep van appellant niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak, welke de Raad in grote lijnen onderschrijft, moet worden bevestigd.

4.5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van

€ 428,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 december 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

KR