Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG8996

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-12-2008
Datum publicatie
08-01-2009
Zaaknummer
07-3031 BZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag Bbz-uitkering voor kosten van levensonderhoud en de behoefte aan bedrijfskapitaal. Niet levensvatbaar bedrijf. De gemeente is in de regel gerechtigd om zich bij zijn besluitvorming te baseren op in concreto verkregen adviezen van deskundige instanties als het IMK.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3031 BZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 9 mei 2007, 06/4699 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond (hierna: College)

Datum uitspraak: 23 december 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2008. Appellante is in persoon verschenen. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving tot 1 januari 2006 een bijstandsuitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), waarvan de betaling per die datum is geblokkeerd omdat zij per 1 januari 2006 werkzaamheden als zelfstandige is gaan verrichten. Op 10 januari 2006 heeft appellante een uitkering op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) ter voorziening in de kosten van levensonderhoud en de behoefte aan bedrijfskapitaal aangevraagd. Appellante wenst een onderneming te exploiteren die zich bezig houdt met de verkoop van cosmeticaproducten, alsmede het geven van stoelmassages bij bedrijven. Naar aanleiding van de aanvraag van appellante heeft het College advies gevraagd aan IMK Intermediar BV (IMK). Dit - op 13 februari 2006 - uitgebrachte advies houdt in dat de door appellante te starten onderneming niet levensvatbaar is te achten.

1.2. Bij besluit van 13 maart 2006 heeft het College op grond van het advies van het IMK de aanvraag van appellante afgewezen.

2. Bij besluit van 2 november 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van

13 maart 2006 ongegrond verklaard.

3.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 2 november 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3.2. In hoger beroep heeft appellante zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 2, eerste en tweede lid, van het Bbz 2004 kan - voor zover hier van belang - aan de persoon die een bedrijf begint dat levensvatbaar is algemene bijstand en/of bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal worden verleend. Onder een levensvatbaar bedrijf wordt ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004 verstaan het bedrijf waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf en voor de voorziening in het bestaan. Blijkens de toelichting op deze bepaling impliceert dit dat het inkomen toereikend dient te zijn om alle aflossingsverplichtingen te voldoen, dat voldoende middelen beschikbaar zijn om het bedrijf op peil te houden en dat voorts wordt voorzien in de kosten van het bestaan.

4.2. Het IMK heeft aan het advies dat het bedrijf van appellante niet levensvatbaar is ten grondslag gelegd dat het afzetgebied te klein is voor bedoelde activiteiten, de markt gekenmerkt wordt door hevige concurrentie met grote cosmeticahuizen en de door appellante voorgenomen marktbenadering niet kan werken.

4.3. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is een bijstandverlenend orgaan in zaken als de onderhavige in de regel gerechtigd om zich bij zijn besluitvorming te baseren op in concreto verkregen adviezen van deskundige instanties als het IMK. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, zoals onder punt 9 van de aangevallen uitspraak vermeld, dat in dit geval geen situatie aanwezig is waarin het College niet op het advies van het IMK had mogen afgaan en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid.

4.4. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4.5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 december 2008.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) B.E. Giesen.

IJ