Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG8938

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2008
Datum publicatie
07-01-2009
Zaaknummer
07-350WAO+07-3218WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Nader besluit. Nadere motivering in hoger beroep. Proceskostenveroordeling. De Raad is thans van oordeel dat appellante met de beperkingen zoals vastgesteld in de FML, de geselecteerde functies moet kunnen verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/350 WAO en 07/3218 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 22 november 2006, 06/181 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 december 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante, heeft mr. M. Hoogendonk, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het Uwv op 5 april 2007 een nieuw besluit genomen en een afschrift daarvan ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 7 november 2008. Partijen zijn, zoals tevoren schriftelijk is meegedeeld, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is op 6 november 1995 uitgevallen voor haar functie van administratief medewerkster met pijnklachten aan de linkerarm. Later breidden deze klachten zich uit over haar gehele bewegingsapparaat. Haar is met ingang van

4 november 1996 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Appellante is in het kader van een herbeoordeling op basis van het aangepaste Schattingsbesluit op 28 januari 2005 onderzocht door verzekeringsarts drs. P.M. Jacobs. Deze is van mening dat het door appellante aangegeven klachtenpatroon slechts zeer ten dele kan worden verklaard door objectiveerbare ziekte of gebrek. Daarmee rekening houdend heeft deze arts beperkingen vastgesteld in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Aan de hand van de door deze verzekeringsarts opgestelde beperkingen in de FML heeft arbeidsdeskundige R. Weerwag in een rapport van 29 maart 2005 een aantal functies geselecteerd waarmee een zodanig inkomen verdiend kan worden dat sprake is van een verlies aan verdiencapaciteit van 17,58%. Bij besluit van 26 mei 2005 is met ingang van 2 juni 2005 de WAO-uitkering herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

1.3. In de bezwaarprocedure heeft bezwaarverzekeringsarts P.M.H-J. Tjen in een rapport van 24 augustus 2005, na weging van alle beschikbare gegevens, geconcludeerd dat de FML geen aanpassing behoeft aangezien in voldoende mate rekening is gehouden met de klachten van appellante. Bezwaararbeidsdeskundige P.H.M. Dijks-Leentjens heeft blijkens haar rapportage van 15 november 2005, nadat zij nog een nadere toelichting aan arbeidsdeskundige Weerwag had gevraagd, de geduide functies nog eens bezien en is daarbij tot de slotsom gekomen dat deze passen binnen de functionele mogelijkheden van appellante.

1.4. Daarop is het bezwaar ongegrond verklaard bij besluit van 6 december 2005, hierna: het bestreden besluit 1.

2. Bij aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit 1 gegrond verklaard, het besluit vernietigd, het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen met in achtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen en beslissingen gegeven omtrent de vergoeding aan appellante van griffierecht en proceskosten. De rechtbank heeft - kort gezegd - de meeste conclusies van de bezwaarverzekeringsarts onderschreven. Echter, de beperking onder item 5.9.1. is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet geformuleerd. Dit brengt met zich dat ook niet kan worden vastgesteld of met betrekking tot dit item de geselecteerde functies in overeenstemming zijn met de beperkingen van appellante. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv met de rapportages van de (bezwaar)arbeidsdeskundige onvoldoende heeft gemotiveerd dat de signaleringen bij de aan appellante voorgehouden functies geen overschrijdingen van haar belastbaarheid opleveren.

3. In hoger beroep is namens appellante aangevoerd - kort weergegeven - dat ook met betrekking tot het item 2.10 “vervoer” er van de kant van het Uwv geen voldoende deugdelijke motivering is gegeven waarom ten aanzien van dit item, gelet op de beperkingen bij appellante, de normaalwaarde wordt gehanteerd. Voorts is aangevoerd dat de overschrijdingen en verstopte beperkingen in de verschillende functies onvoldoende zijn gemotiveerd.

4.1. Het Uwv heeft berust in de aangevallen uitspraak. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het Uwv bij besluit van 5 april 2007 (het bestreden besluit 2) appellantes bezwaren wederom ongegrond verklaard, onder verwijzing naar een nader rapport van zijn bezwaarverzekeringsarts Tjen van 27 februari 2007 en een rapport van bezwaararbeidsdeskundige Leentjens van 28 februari 2007.

4.2. Gelet op artikel 6:24 in samenhang met de artikelen 6:18 en 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is de Raad van oordeel dat het beroep van appellante, mede geacht moet worden gericht te zijn tegen het bestreden besluit 2.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. Het hoger beroep heeft, zoals blijkt uit het rapport van 27 februari 2007, aan het licht gebracht dat de FML niet juist was vastgesteld. Alsnog is onder meer op het item 2:10 een wijziging aangebracht.

De Raad is van oordeel dat bezwaarverzekeringsarts Tjen in dit rapport afdoende heeft gemotiveerd waarom in de nader vastgestelde FML van 27 februari 2007 (thans) de zogenaamde normaalwaarde wordt gehanteerd ten aanzien van het item 2.10 “vervoer”. De Raad voegt daaraan toe dat in de gedingstukken geen objectief medische noodzaak is gevonden op grond waarvan een beperking op dit item aangenomen zou moeten worden. Het voorgaande brengt met zich mee dat het hoger beroep niet slaagt.

5.3. Omdat pas in hoger beroep de motivering van het besluit is gegeven, ziet de Raad aanleiding om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep heeft moeten maken. De Raad constateert dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak bij vaststelling van de proceskosten “slechts” één punt heeft toegekend voor het indienen van een beroepschrift. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 31 augustus 2006 zijn zowel appellante als haar gemachtigde, mr Hoogendonk verschenen, zodat, conform de in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, alsnog één punt dient te worden toegekend, ten bedrage van € 322,-- hetgeen leidt tot tezamen € 644,--. De kosten voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep worden eveneens begroot op € 322,--.

5.4. Het vorenstaande brengt met zich mee dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd voor zover aangevochten en voor wat betreft de proceskostenveroordeling dient te worden vernietigd.

5.5. Bij het besluit van 5 april 2007 zijn, ter uitvoering van de uitspraak, de bezwaren van appellante alsnog ongegrond verklaard. Naar aanleiding van de aangevallen uitspraak heeft bezwaarverzekeringsarts Tjen, in zijn rapportage van

27 februari 2007, aangegeven waarom hij geen beperking meer aanneemt op het item 5.9.1. Desgevraagd heeft verzekeringsarts Jacobs hiertoe aangegeven dat het regelmatig van wisselen van houding wenselijk is voor een betere ontwikkeling van de lichamelijke conditie. Een specifieke aanwijzing voor de afwisseling van houdingen is niet noodzakelijk, indien er maar regelmatig van houding gewisseld wordt. Volgens bezwaarverzekeringsarts Tjen is vanuit dat gezichtspunt, de afwisseling van houding voldoende gegarandeerd indien er beperkingen worden vastgesteld op de items “zitten, “staan” en “lopen” zoals deze zijn vastgesteld in de FML van 27 februari 2007 waardoor op het item 5.9.1. de eerdere beperking komt te vervallen. De Raad onderschrijft dit standpunt van de bezwaar-verzekeringsarts en ziet in de gedingstukken, nu daartoe door appellante ook geen medische stukken zijn ingediend, geen aanknopingspunten die een beperking op het item 5.9.1. zouden rechtvaardigen. Volgens (bezwaar)verzekeringsarts Tjen dient er regelmatig afwisseling te zijn zonder specifieke volgorde in houdingsveranderingen. Met de nadere beperkingen in de FML van 27 februari 2007 is deze afwisseling, naar het oordeel van de Raad, voldoende gewaarborgd. Ook anderszins heeft de Raad in de gedingstukken geen aanknopingspunten gevonden de FML onjuist te achten.

5.6. Met het bestreden besluit 2 heeft het Uwv beoogd de door de rechtbank vastgestelde arbeidskundige gebreken van bestreden besluit 1 te herstellen. Gelet op de nadere rapportage van bezwaararbeidsdeskundige Leentjes van 28 februari 2007, in combinatie met de eerdere (bezwaar)arbeidskundige rapportages is de Raad thans van oordeel dat appellante met de beperkingen zoals vastgesteld in de FML van 27 februari 2007, de geselecteerde functies moet kunnen verrichten.

Het voorgaande leidt er toe dat het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond moet worden verklaard.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het betreft de proceskostenveroordeling;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige en voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 966,--;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 106,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter, en R.C. Stam en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 december 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) A. Wit.