Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG8907

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-12-2008
Datum publicatie
06-01-2009
Zaaknummer
07-5050 WW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering. Appellant heeft ten aanzien van het aangaan van het nieuwe dienstverband te lichtvaardig gehandeld. Gelet op de omstandigheden, waaruit kan worden afgeleid dat het handelen van appellant in belangrijke mate overeenstemt met hetgeen op grond van de WW van hem mocht worden verlangd, komt de Raad tevens tot het oordeel dat het niet nakomen van de verplichting uit artikel 24 van de WW appellant niet in overwegende mate kan worden verweten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2009, 49 met annotatie van F.J.L. Pennings
RSV 2009/60
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5050 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 13 juli 2007, 06/7281 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 december 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.M.M. Brouwer, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2008. Namens appellant is daarbij mr. Brouwer verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door J.M.W. Beers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Appellant was vanaf 13 december 2004 in een dienstverband voor onbepaalde tijd als betonvlechter werkzaam voor [werkgever 1] Holding B.V. (hierna: [werkgever 1]), rechtsopvolger van [naam loonbedrijf], waar appellant met ingang van 6 mei 2003 voor onbepaalde tijd in dienst was getreden. De werkzaamheden werden verricht voor de BAM en MVM Betonstaal aan het HSL-project, aanvankelijk te Dordrecht. Rond maart 2005 werden de werkzaamheden verplaatst naar Lage Zwaluwe en laatstelijk Galder. In verband met de lange reistijden, in combinatie met de thuissituatie, heeft appellant per 15 juli 2005 ontslag genomen. Na een vakantie is appellant vervolgens op 17 augustus 2005 op basis van een uitzendovereenkomst in dienst getreden van Loonbedrijf [naam loonbedrijf 2] (hierna: [naam loonbedrijf 2]) in de functie van betonstorter/vlechter bij het project Randstadrail te Zoetermeer. In verband met het beëindigen van de werkzaamheden aan dat project heeft [naam loonbedrijf 2] de uitzendovereenkomst per 31 januari 2006 beëindigd.

2.2. Appellant heeft op 17 februari 2006 een WW-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 22 maart 2006 heeft het Uwv die uitkering blijvend geheel geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. Het daartegen gemaakte bezwaar is door het Uwv bij het thans bestreden besluit van 19 juli 2006 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daartoe, kort gezegd, overwogen dat uit de dienstbetrekking bij [naam loonbedrijf 2] geen zelfstandig recht op een WW-uitkering is opgebouwd zodat tevens de ontslagname bij [werkgever 1] bij de beoordeling van de WW-aanvraag betrokken dient te worden. Die ontslagname is naar de mening van het Uwv verwijtbaar. Het Uwv heeft gesteld dat de reistijd aanzienlijk minder was dan de door appellant gestelde 4 uur per dag. Het Uwv is verder van mening dat de beëindiging van het dienstverband met [werkgever 1] te lichtvaardig was omdat appellant in de nieuwe dienstbetrekking op basis van een uitzendovereenkomst werkzaam was en er onvoldoende zekerheid voor een aanstelling voor een langere duur was. Appellant heeft naar de mening van het Uwv een te groot werkloosheidsrisico genomen.

3. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv onderschreven en het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank is er daarbij, anders dan het Uwv, vanuit gegaan dat de reistijd per dag ongeveer drie uur bedroeg, maar zij achtte dit niet dusdanig bezwaarlijk, dat voortzetting van het dienstverband bij [werkgever 1] redelijkerwijs niet van appellant zou kunnen worden gevergd. Daarbij wees de rechtbank er op dat de werkzaamheden in Galder van tijdelijke aard waren. Voorts heeft de rechtbank het standpunt van het Uwv onderschreven dat er bij het aangaan van de dienstbetrekking met [naam loonbedrijf 2] geen zekerheid was op werk voor een duur van tenminste 26 weken.

4.1. In hoger beroep heeft appellant nogmaals gewezen op de lengte van de reistijden. Die lengte bracht mee dat appellant ’s ochtends om 5.00 uur op weg moest en pas om 18.00 uur thuis was. Die reistijden waren volgens appellant niet te combineren met de thuissituatie. Appellant wijst er voorts op dat hij met een busje van zijn werkgever zijn collega’s in ’s-Gravenhage op moest halen en dat hij voor de reistijd geen aparte vergoeding kreeg, iets wat bij [naam loonbedrijf] wel het geval was. Appellant stelt voorts dat hij er, gelet op de hem gedane toezeggingen en de uitzendovereenkomst, vanuit mocht gaan dat het project bij Randstadrail langer dan 26 weken zou duren.

4.2. Het Uwv heeft in hoger beroep het eerder ingenomen standpunt herhaald dat appellant een te groot werkloosheidsrisico heeft genomen. Het Uwv heeft zich inmiddels, in navolging van de rechtbank, wel op het standpunt gesteld dat de reistijd van appellant rond de drie uur per dag bedroeg. Voorts heeft het Uwv er op gewezen dat een vergoeding voor reistijd niet gebruikelijk is en dat er door [naam loonbedrijf 2] nooit een toezegging over de duur van de werkzaamheden is gedaan.

5. De Raad oordeelt als volgt.

5.1. In het voorliggende geval is aan de orde de situatie dat appellant werkloos is geworden uit een dienstbetrekking die niet zo lang heeft geduurd dat hij uitsluitend daaraan een recht op WW kan ontlenen. Uit vaste jurisprudentie van de Raad volgt dat in zo’n situatie, ter beantwoording van de vraag of de werknemer de werkloosheid kan worden verweten, mede de omstandigheden in aanmerking kunnen worden genomen waaronder de voorafgaande dienstbetrekking, in dit geval die met [werkgever 1], is beëindigd. Uit die jurisprudentie volgt voorts dat de Raad van oordeel is, aanknopend bij artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met het tweede lid, aanhef en onder b, van de WW, dat die vraag bevestigend kan worden beantwoord als de keuze van de werknemer om zijn voorlaatste dienstbetrekking te beëindigen teneinde aan te vangen in de nieuwe dienstbetrekking zo lichtvaardig is te achten dat die keuze hem vanuit het oogpunt van de toepassing van de WW kan worden verweten. Om te bezien of daarvan sprake is, dient acht te worden geslagen op de relevante omstandigheden waaronder de beweegredenen van de werknemer om de voorlaatste dienstbetrekking te beëindigen, de redenen en het belang om de nieuwe dienstbetrekking aan te gaan, alsmede de vraag of met de keuze voor de nieuwe dienstbetrekking het werkloosheidsrisico aanmerkelijk is toegenomen.

5.2. De Raad stelt vast dat partijen niet langer van mening verschillen ten aanzien van de reistijden, in zoverre dat het Uwv thans, met de rechtbank, uitgaat van een reistijd van ongeveer drie uur per dag. Gelet op de door appellant af te leggen route acht de Raad het voorts niet uitgesloten dat die reistijd op sommige dagen nog langer zal zijn geweest. Gelet daarop was het een alleszins begrijpelijke en redelijke wens van appellant om uit te zien naar werkzaamheden waarbij de reistijden korter zouden zijn, dan wel waarbij hij voor die tijden een vergoeding zou ontvangen.

5.3. Ter zitting is vastgesteld dat appellant met het oog daarop heeft gezocht naar een andere werkgever, en eerst toen hij de zekerheid had dat hij op 17 augustus 2005 kon aanvangen in een nieuwe dienstbetrekking, de arbeidsovereenkomst met [werkgever 1] heeft beëindigd. Vanuit het oogpunt van de WW heeft appellant in dat opzicht op een juiste wijze gehandeld.

5.4. Daar staat echter tegenover dat appellant een uitzendovereenkomst is aangegaan waarin het beding van artikel 7:691, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek was opgenomen zodat geen zekerheid bestond dat deze langer dan 26 weken zou duren, terwijl voorts, gelet op voornoemd beding deze overeenkomst ieder moment tot een einde kon komen. Met het Uwv is de Raad van oordeel dat appellant er niet op kon vertrouwen dat de werkzaamheden voor een langere termijn beschikbaar waren. Uit de passage in de uitzendovereenkomst ten aanzien van de 78 weken kan dat niet worden afgeleid, nu die passage enkel vastlegt op welk moment de uitzendovereenkomst in ieder geval zou eindigen, maar verder niets bepaalt over de omvang of duur van de afgesproken werkzaamheden. Anderzijds merkt de Raad op dat een langere duur van de werkzaamheden op zichzelf ook niet uitgesloten was.

5.5. Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat appellant ten aanzien van het aangaan van het nieuwe dienstverband te lichtvaardig heeft gehandeld, hetgeen derhalve betekent dat de verplichting van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in samenhang met het tweede lid, aanhef en onder b, van de WW niet is nagekomen. Echter, gelet op de hiervoor weergegeven omstandigheden, waaruit kan worden afgeleid dat het handelen van appellant in belangrijke mate overeenstemt met hetgeen op grond van de WW van hem mocht worden verlangd, komt de Raad tevens tot het oordeel dat het niet nakomen van de verplichting uit artikel 24 van de WW appellant niet in overwegende mate kan worden verweten.

5.6. Het hoger beroep slaagt derhalve. Het Uwv zal met inachtneming van het voorgaande een nieuw besluit op het bezwaar van appellant dienen te nemen. Daarbij zal het Uwv tevens, met inachtneming van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht dienen te besluiten op het verzoek om vergoeding van de kosten die appellant ten behoeve van de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken.

6. De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant, welke kosten worden bepaald op € 644,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep, totaal derhalve € 1.288,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen met inachtneming van het voorgaande een nieuw besluit op het bezwaar van appellant neemt;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 144,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en H.G. Rottier en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 december 2008.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P. Boer.

BvW