Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG8896

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-12-2008
Datum publicatie
06-01-2009
Zaaknummer
07-3957 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering bijstandsuitkering toe te kennen. Betrokkene is in gebreke gebleven aan de hand van deugdelijke en verifieerbare bewijsstukken aan te tonen hoe zij in de periode voorafgaande aan haar aanvraag in haar levensonderhoud heeft voorzien. Niet vast te stellen of, en zo ja in hoeverre, betrokkene bijstandbehoevend was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3957 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 15 juni 2007, 07/514 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen (hierna: College)

Datum uitspraak: 23 december 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.L.O. van de Waarsenburg, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2008. Appellante is, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.H.G. Rikken, werkzaam bij de gemeente Nijmegen.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante heeft op 20 september 2006 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend.

1.1. Bij besluit van 27 september 2006 heeft het College die aanvraag afgewezen.

1.2. Bij besluit van 18 december 2006 is het door appellante gemaakte bezwaar tegen het besluit van 27 september 2006 ongegrond verklaard. Het College heeft zich daarbij onder meer op het standpunt gesteld dat appellante onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt omtrent de wijze waarop zij voorafgaand aan de aanvraag in haar levensonderhoud heeft voorzien, met als gevolg dat niet kan worden vastgesteld of zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 18 december 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 11, eerste lid (oud), van de WWB heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien recht op bijstand van overheidswege. Aangezien appellante volgens haar mededelingen voorafgaande aan de bijstandsaanvraag geen werkzaamheden heeft verricht, geen inkomsten heeft genoten en evenmin een beroep heeft gedaan op de bijstand, was het antwoord op de vraag waarvan zij in de periode voorafgaande aan de aanvraag heeft geleefd van belang voor de beoordeling of zij ten tijde in geding in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.

4.2. Ingevolge de in artikel 17, eerste lid (tekst tot 1 januari 2008), van de WWB vervatte inlichtingenverplichting, voor zover van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Indien de belanghebbende niet aan de inlichtingenverplichting voldoet is dat een grond voor weigering, intrekking of beëindiging van de bijstand, indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, betrokkene recht op bijstand heeft.

4.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellante desgevraagd in gebreke is gebleven aan de hand van deugdelijke en verifieerbare bewijsstukken aan te tonen hoe zij in de periode voorafgaande aan haar aanvraag in haar levensonderhoud heeft voorzien.

4.4. Zo heeft appellante met betrekking tot de gevraagde bankafschriften slechts één afschrift van haar spaarrekening overgelegd, waaruit blijkt dat zij op 7 januari 2005 een bedrag van € 8,06 aan rente heeft ontvangen. Dit enkele afschrift biedt evenwel geen toereikend inzicht in haar financiële situatie. Voorts heeft appellante om redenen van privacy volhard in haar weigering om nadere inlichtingen te verstrekken omtrent de door haar gestelde geldleningen van vrienden en kennissen, zoals de namen en adressen van die personen, de grootte van de geleende bedragen en de tijdstippen waarop die bedragen aan appellante zijn betaald. Eveneens om redenen van privacy heeft zij geen inlichtingen willen verstrekken omtrent de namen en adressen van de personen die aan haar onderdak hebben verschaft in de periode waarin zij volgens haar mededelingen een zwervend bestaan heeft geleid.

4.5. Nu appellante om haar moverende redenen met betrekking tot de onder 4.4 genoemde omstandigheden geen openheid van zaken heeft willen geven, heeft het College niet kunnen vaststellen of, en zo ja in hoeverre, appellante ten tijde als hier van belang bijstandbehoevend was. In het kader van de onderhavige aanvraag om bijstand dienen de gevolgen hiervan geheel voor rekening en risico van appellante te worden gelaten.

4.6. Hetgeen appellante in het hoger beroepschrift heeft aangevoerd, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.

4.7. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.8. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en A.B.J. van der Ham en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.R. Sharma als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 december 2008.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) S.R. Sharma.

IJ