Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG8887

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-12-2008
Datum publicatie
06-01-2009
Zaaknummer
07-6953 WW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering WW-uitkering. Inkomsten uit arbeid. Schatting van de omvang van de werkzaamheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6953 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 31 oktober 2007, 07/3706 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 december 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J. Kaldenbach, werkzaam bij FNV Bondgenoten, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 17 oktober 2008 heeft appellant de gronden van het hoger beroep aangevuld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kaldenbach. Het Uwv, vanwege de Raad opgeroepen om te verschijnen, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Nicolai, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Als getuigen zijn gehoord [getuige1] en [getuige 2], meegebracht door appellant.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Aan appellant is ingaande 1 januari 2003 een WW-uitkering toegekend, gebaseerd op een verlies van 40 arbeidsuren per week. Die uitkering is wegens werkhervatting beëindigd per 13 september 2004. Naar aanleiding van een melding van mogelijk door appellant gepleegde fraude heeft het Uwv een onderzoek ingesteld. De bevindingen daarvan zijn neergelegd in het rapport werknemersfraude van 23 juni 2005. Op basis van dat rapport heeft het Uwv geconcludeerd dat appellant vanaf medio april 2003 werkzaamheden verrichtte voor [werkgeefster 1] en, na het faillissement van deze BV, voor [werkgeefster 2], welke werkzaamheden appellant niet op zijn werkbriefjes heeft vermeld, en dat hij geen recht had op een volledige WW-uitkering. Bij besluit van 27 juni 2005 heeft het Uwv in verband hiermee het recht op uitkering over de periode van 1 mei 2003 tot en met 12 september 2004 herzien en bij besluit van 28 juni 2005 de als gevolg daarvan onverschuldigd betaalde WW-uitkering teruggevorderd.

2.2. Bij besluit van 29 november 2005 is het bezwaar van appellant tegen voormelde besluiten gedeeltelijk gegrond verklaard. Bij uitspraak van 18 december 2006 heeft de rechtbank Haarlem dat besluit wegens strijd met artikel 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht vernietigd. De rechtbank was (onder meer) van oordeel dat de verklaring van appellant over het aantal uren door hem verrichte werkzaamheden in bepaalde weken op een aantal punten niet consistent was, in verband waarmee het Uwv naar het oordeel van de rechtbank nader onderzoek had moeten verrichten. Het Uwv heeft in deze uitspraak berust.

2.3. Bij besluit van 1 mei 2007 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen de besluiten van 27 en 28 juni 2005 (wederom) gedeeltelijk gegrond verklaard, is het recht op uitkering overeenkomstig het in dat besluit gegeven overzicht van het aantal gewerkte uren per week herzien en het bedrag van de terugvordering gesteld op € 17.543,51. De door de rechtbank geconstateerde inconsistenties heeft het Uwv ertoe gebracht bij de herziening uit te gaan van het per periode laagste aantal van de verschillende in de verklaring van appellant opgenomen opgaven van gewerkte uren.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank kon het Uwv afgaan op de door appellant op 21 juni 2005 tegenover de opsporingsfunctionarissen afgelegde verklaring zoals weergegeven in het daarvan opgemaakte proces-verbaal.

4. De Raad staat voor de beantwoording van de vraag of de rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel over het bestreden besluit. Die vraag beantwoordt de Raad bevestigend. De Raad stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat ten onrechte als feit is vermeld dat appellant controleerde wat de deur uitging; volgens appellants verklaring deed [getuige 1] dat. De Raad stelt voorts vast dat slechts in geschil is de omvang van de door appellant verrichte werkzaamheden.

Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd heeft de Raad nog het volgende overwogen.

4.1. Naar het oordeel van de Raad bevat de uitspraak van de rechtbank van 18 december 2006, anders dan namens appellant is gesteld, geen uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordeel over de beroepsgronden noch zijn daarbij feiten vastgesteld, waaraan het Uwv is gebonden. Het Uwv heeft dan ook terecht geen beletstel aanwezig geacht om het aantal gewerkte uren in volle omvang vast te stellen, zoals bij het bestreden besluit is gedaan.

4.2. De rechtbank heeft op goede grond aanvaard dat het Uwv de door appellant in bezwaar overgelegde opgave van de gewerkte uren, die uitkomt op een gemiddeld aantal gewerkte uren van 1,5 tot 2 uur per dag, terzijde heeft gelaten. In vergelijking met de door appellant op 21 juni 2005 afgelegde verklaring die neerkwam op een totaal van ongeveer 7,5 uur per dag, kan deze opgave niet serieus genomen worden.

De eerder door de rechtbank geconstateerde tegenstrijdigheden zien op details en maken de verklaring van appellant niet zodanig inconsistent dat deze niet tot basis van een schatting van de omvang van zijn werkzaamheden kan dienen. Hetgeen appellant in dat verband heeft betoogd ziet er naar het oordeel van de Raad geheel aan voorbij dat het Uwv de omvang van de werkzaamheden heeft moeten schatten, omdat appellant van die werkzaamheden -volgens zijn verklaring bewust - geen melding heeft gemaakt op zijn werkbriefjes. Appellant wordt dan ook terecht aan zijn eerste verklaring gehouden. De verklaring van [getuige 1] ter zitting van de Raad komt globaal overeen met zijn op 21 juni 2005 afgelegde verklaring en leidt niet tot een andere uitkomst. De verklaring van [getuige 2] evenmin. Haar getuigenis staat zodanig haaks op de eerste verklaring van appellant dat bij de Raad daardoor geen twijfel is gerezen aan het realiteitsgehalte daarvan. Zo verklaarde deze getuige dat appellant meestal alleen in de ochtenduren werkte, terwijl appellant aanvankelijk stelde van 7.30 tot 15.00 uur te werken en zich voorts in zijn tweede opgave beroept op een ochtend- en een lunchpauze. Zij verklaarde verder dat de werktijd van appellant om 7.30 uur aanving terwijl zij zelf pas om 8.30 uur begon.

Tot slot komt uit de gedingstukken genoegzaam naar voren dat appellant ook na het faillissement werkzaamheden heeft verricht, eerst op verzoek van de curator en vervolgens in het kader van een doorstart van [werkgeefster 2].

4.3. De conclusie moet dan ook zijn dat appellant niet door middel van objectieve en controleerbare gegevens zijn eerste verklaring heeft weerlegd. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en H.G. Rottier en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 december 2008.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P. Boer.

BvW/212