Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG8577

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-12-2008
Datum publicatie
30-12-2008
Zaaknummer
07-6893 WUV + 07-6894 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De aanwezige ziekten en gebreken zijn niet door de vervolging ontstaan en staan niet met het oorlogsgeweld in verband. Blijkens het door deze geneeskundige uitgebrachte medisch advies berust schizofrenie op een erfelijke verhoogde kwetsbaarheid voor deze aandoening en zijn er geen aanwijzingen dat psychologische of sociale omgevingsfactoren op zichzelf verantwoordelijk kunnen zijn voor het ontstaan van de kwetsbaarheid voor schizofrenie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6893 WUV + 07/6894 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellant] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster 1)

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster 2)

Datum uitspraak: 11 december 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is beroep ingesteld tegen de besluiten van verweersters van 27 november 2007, kenmerk BZ 46957, JZ/A70/2007 en BZ 7665, JZ/A70/2007, waarbij uitvoering is gegeven aan resp. de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de WUV (besluit 1), en de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, hierna: de WUBO (besluit 2).

Verweersters hebben verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting van beide gedingen heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2008. Aldaar is namens appellant verschenen zijn broer A. Stein, wonende te Wilnis, als gemachtigde. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, geboren in 1939, heeft in augustus 2006 bij verweerster 1 een aanvraag ingediend op grond van de WUV en bij verweerster 2 een aanvraag op grond van de WUBO. Bij deze aanvragen heeft hij onder meer aangegeven te lijden aan psychische klachten die naar zijn opvatting samenhangen met zijn internering tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië.

2. Verweerster 1 heeft de aanvraag op grond van de WUV afgewezen bij besluit van 28 februari 2007, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit 1. Hierbij is erkend dat appellant vervolgde is in de zin van de WUV, maar is vervolgens overwogen dat hij niet voldoet aan de voorwaarden om aanspraken te ontlenen aan de WUV, omdat de bij hem aanwezige ziekten of gebreken niet in verband staan met de vervolging, maar duidelijk door andere oorzaken zijn ontstaan.

3. Verweerster 2 heeft de aanvraag op grond van de WUBO afgewezen bij besluit van 28 februari 2007, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit 2. Daarbij is erkend dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de WUBO, maar is vervolgens overwogen dat hij geen aanspraken aan de WUBO kan ontlenen nu hij niet voldoet aan de ingevolge de WUBO geldende eis dat sprake is van met dit oorlogsgeweld samenhangende blijvende invaliditeit.

4. De geschillen tussen partijen spitsen zich toe op de vraag of de bij appellant aanwezige ziekten en gebreken door de vervolging zijn ontstaan dan wel met het oorlogsgeweld in verband staan of duidelijk uit andere oorzaken voortkomen. De Raad overweegt als volgt.

5.1. De besluiten van verweerster zijn in overeenstemming met adviezen van geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad, die op basis van eigen onderzoek door een van deze adviseurs, de arts R.J. Roelofs, en informatie verkregen uit de behandelende sector tot het oordeel zijn gekomen dat de bij appellant aanwezige psychische klachten en darmklachten duidelijk uit andere oorzaken zijn voortgekomen dan de door hem ondergane internering tijdens de Japanse bezetting.

5.2.1. De Raad heeft in de omtrent appellant beschikbare gedingstukken van medische aard geen aanknopingspunten kunnen vinden om tot een ander oordeel te komen. Hij overweegt daarbij dat blijkens het rapport van genoemde geneeskundig adviseur

Roelofs van de Pensioen- en Uitkeringsraad bij appellant sprake is van een chronische paranoïde schizofrenie vanaf de vroege volwassenheid. Blijkens het door deze geneeskundige uitgebrachte medisch advies berust schizofrenie op een erfelijke verhoogde kwetsbaarheid voor deze aandoening en zijn er geen aanwijzingen dat psychologische of sociale omgevingsfactoren op zichzelf verantwoordelijk kunnen zijn voor het ontstaan van de kwetsbaarheid voor schizofrenie. Voorts heeft deze geneeskundige aangegeven dat er geen relatie bekend is tussen life-events en schizofrenie, niet oorzakelijk, niet in luxerende en onderhoudende zin. Naar namens verweersters ter zitting is toegelicht is het standpunt van verweersters inzake de oorzaken van schizofrenie in overeenstemming met algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten op dit punt. Namens appellant zijn geen medische gegevens ingebracht die een ander licht werpen op de oorzaken van de bij hem aanwezige schizofrenie.

5.2.2. Met betrekking tot de bij appellant aanwezige darmklachten valt uit het medisch rapport van de geneeskundig adviseur Roelofs af te leiden dat sprake is van obstipatieklachten die sinds ongeveer vier jaar bestaan. Deze klachten hangen volgens de geneeskundig adviseur samen met westerse voedings- en levensgewoonten en in het geval van appellant waarschijnlijk ook door medicijngebruik zijn beïnvloed. Ook op dit punt heeft de Raad geen andersluidende medische informatie aangetroffen. De omstandigheid dat appellant tijdens de internering last heeft gehad van dysenterie, zoals zijn broer heeft gesteld, doet dit niet anders zijn. Naar de geneeskundig adviseur van verweersters heeft aangegeven is bij appellant geen sprake van een typisch postdysenterisch beeld en zijn de klachten na de oorlog verdwenen.

5.2.3. De Raad acht gelet op het vorenstaande het medisch standpunt van verweersters deugdelijk onderbouwd. Dit betekent dat de beroepen van appellant ongegrond verklaard moeten worden. De grieven die namens appellant op het punt van zorgvuldigheid en motivering van de bestreden besluiten naar voren zijn gebracht acht de Raad niet van dien aard dat deze tot vernietiging van deze besluiten moeten leiden. Met betrekking tot de voornaamste grief van appellants broer dat deze, hoewel hij steeds de belangen van appellant behartigt, niet is betrokken geweest bij het vanwege verweersters gehouden medisch onderzoek, overweegt de Raad dat deze broer blijkens de gedingstukken wel aanwezig is geweest bij het opmaken van het ten behoeve van de aanvragen opgemaakte sociaal rapport en daarbij ruimschoots de gelegenheid heeft gehad om van belang zijnde feiten naar voren te brengen. Gelet hierop acht de Raad in de omstandigheid dat deze broer niet ook nog betrokken is geweest bij het medisch onderzoek geen grond aanwezig voor vernietiging van de bestreden besluiten.

6. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.R. Geerling-Brouwer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 december 2008.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. van Berlo.

HD