Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG8542

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2008
Datum publicatie
30-12-2008
Zaaknummer
07-2273 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Geen aanknopingspunten voor het bestaan van een ziekte of gebrek op psychisch gebied. Niet is gebleken dat over de relevante periode nog andere informatie van medische aard aanwezig is en dat het Uwv ten onrechte heeft nagelaten deze informatie te achterhalen. Geen aanleiding voor de benoeming van een onafhankelijke medisch deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2273 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 15 maart 2007, 06/1566

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 december 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W. de Vilder, advocaat te Beek, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door de mr. De Vilder. Het Uwv was vertegenwoordigd door W.M.C. Höppener.

II. OVERWEGINGEN

1. De rechtbank heeft op grond van de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen het beroep van appellant gericht tegen het besluit van 6 juni 2006 – waarbij het Uwv, beslissend op bezwaar, heeft geweigerd appellant per 18 juni 1996 een

WAO-uitkering toe te kennen – ongegrond verklaard.

2.1. Appellant heeft in hoger beroep verwezen naar de gronden opgenomen in zijn beroepschrift. Naar de opvatting van appellant heeft de rechtbank in hetgeen hij heeft aangevoerd ten onrechte geen aanleiding gezien om tot het oordeel te komen dat het Uwv zijn beperkingen tot het verrichten van arbeid heeft onderschat. Op zijn minst had de rechtbank dienen te oordelen dat het Uwv in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onvoldoende onderzoek naar de ernst van zijn klachten heeft verricht. Appellant heeft in dit verband met name gewezen op de bij hem in 1995 en 1996 bestaande klachten van psychische aard. Het had echter naar de mening van appellant meer voor de hand gelegen dat de rechtbank zich had laten voorlichten door een onafhankelijke medisch deskundige.

2.2. In verweer heeft het Uwv onder verwijzing naar een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts C.G. van der Kooij, gedateerd 7 juni 2007, aangevoerd dat het hoger beroepschrift geen nieuwe gezichtspunten oplevert. Van der Kooij heeft erop gewezen dat in de rapportage van 1 juni 2006 - welke rapportage aan het besluit van 6 juni 2006 ten grondslag ligt - de informatie afkomstig van de artsen die appellant hebben behandeld uitvoerig is besproken. In deze laatste rapportage is voorts aangegeven waarom deze informatie niet tot de opvatting leidt dat bij appellant op de datum in geding beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek aanwezig waren.

Het Uwv acht de aangevallen uitspraak juist.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1.1. Appellant heeft bij zijn aanvraag om een WAO-uitkering gemeld dat hij niet in staat is tot het verrichten van werk in verband met hartklachten, longklachten en loopproblematiek. Van klachten van psychische aard is bij de aanvraag geen melding gemaakt. Van deze klachten heeft hij eerst tijdens de bezwaarschriftenprocedure melding gemaakt.

3.1.2. De Raad kan appellant niet volgen in zijn in hoger beroep ingenomen standpunt dat het Uwv heeft gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Awb.Naar aanleiding van zijn aanvraag is appellant onderzocht door de verzekeringsarts S.J.S.M. Wijenbergh. Deze arts heeft, zoals vermeld in het naar aanleiding van dit onderzoek opgestelde rapport, ook een onderzoek naar de psyche van appellant gedaan. Ook de bezwaarverzekeringsarts Van der Kooij heeft naar aanleiding van de in bezwaar door appellant geuite klachten van psychische aard aan deze klachten aandacht besteed. Terecht heeft de bezwaarverzekeringsarts Van der Kooij er in zijn - in overweging 2.2 genoemde - rapportage van 1 juni 2006 op gewezen dat de informatie afkomstig van de artsen en de psycholoog die appellant hebben behandeld in de beoordeling is betrokken en dat is aangegeven waarom deze informatie geen aanknopingspunten biedt voor het bestaan van een ziekte of gebrek op psychisch gebied.

3.1.3. Uit hetgeen appellant voorts heeft aangevoerd is de Raad niet gebleken dat over de relevante periode nog andere informatie van medische aard aanwezig is en dat het Uwv ten onrechte heeft nagelaten deze informatie te achterhalen.

3.2. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de gronden die appellant reeds in beroep heeft aangevoerd en waar appellant in hoger beroep naar heeft verwezen, afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank.

3.3. De Raad ziet met de rechtbank geen aanleiding voor de benoeming van een onafhankelijke medisch deskundige. Ook het in hoger beroep door appellant ingenomen standpunt dat als gevolg van het tijdsverloop veel medische gegevens verloren zijn gegaan, zodat het niet eenvoudig is een medisch objectiveerbare oorzaak voor zijn klachten aan te tonen, leidt de Raad niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten dat - zoals in overweging 3.1.3 al is vermeld - appellant niet inzichtelijk heeft gemaakt om welke gegevens dit zou gaan, dient dit in een situatie als in geding, waarin appellant eerst in oktober 2003 melding maakt van zijn arbeidsongeschiktheid per 20 juni 1995, voor rekening en risico van appellant te blijven.

3.4. Het hoger beroep treft mitsdien geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

3.5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 december 2008.

(get.) J. Brand.

(get.) A.L. de Gier.

KR