Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG8456

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2008
Datum publicatie
30-12-2008
Zaaknummer
07-4080 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen, omdat appellant na afloop van wachttijd minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Geen sprake van een situatie waarin volgens de standaard 'Geen duurzaam benutbare mogelijkheden' sprake is van geen duurzaam benutbare mogelijkheden. Niet gebleken dat appellant duurzaam ADL-afhankelijk en/of bedlegerig is, dan wel langdurig is opgenomen. Door het Uwv te weinig rekening gehouden met de omstandigheid dat appellant op de datum hier in geding recent een behandeling had ondergaan, waardoor appellant nog in een herstelfase zat. Onvoldoende zorgvuldig voorbereiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4080 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 21 juni 2007, 06/4423

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 december 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.A.M.B. Amting, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2008.

Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr. Amting.

Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Florijn.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft zich op 19 maart 2004 ziek gemeld met rug- en nekklachten.

1.2. Verzekeringsarts Levy heeft in zijn rapportage van 28 februari 2006 aangegeven bij onderzoek op dezelfde datum bijna geen afwijkingen te hebben gevonden. Appellant had onderzoek betreffende de thoraco-lumbale wervelkolom geweigerd, waarvoor hij als reden aangaf dat hij van zijn behandelaar een verbod had gekregen om zijn rug te belasten.

1.3. Op verzoek van de verzekeringsarts heeft anesthesioloog F. Wille, verbonden aan het Diakonessenhuis te Zeist, bij brief van 3 mei 2006 aan het Uwv bericht dat er op de CT-scan bij enkele disci sprake was van forse degeneratie met scheurvorming. Op basis van deze bevindingen is appellant in aanmerking gekomen voor een behandeling middels intra discale electrothermische therapie van de onderste 2 disci, hetgeen heeft plaatsgevonden op 18 januari 2006. Het succes van de behandeling mag pas na 6 maanden worden beoordeeld. Patiënten die deze behandeling hebben ondergaan wordt de instructie gegeven in de acute postoperatieve periode niet langer dan 10 minuten te zitten en niet te draaien of te buigen. In de loop van een aantal weken moet het bewegen op geleide van de klachten worden uitgebreid, waarbij er uiteindelijk een situatie moet ontstaan waarbij patiënten zo actief mogelijk zijn, maar rugbelastende posities vermijden.

1.4. Verzekeringsarts M. Levy heeft na ontvangst van deze informatie geconcludeerd dat appellant enkele degeneratieve afwijkingen heeft aan de onderste wervels die zijn klachten enigszins kunnen verklaren. Hij is verder van mening dat er sprake is van enige discrepantie tussen de klachten van appellant en de afwijkingen. Appellant is aangewezen op rugsparende arbeid.

1.5. Bij besluit van 28 juli 2006 heeft het Uwv geweigerd aan appellant een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat appellant na afloop van de in dit geval geldende wachttijd op 17 maart 2006 minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.6. Bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal heeft in zijn rapportage van

2 november 2006 vermeld dat hij het niet nodig acht om appellant op te roepen voor het spreekuur en/of aanvullende informatie op te vragen bij de behandelaars. Wat betreft de behandeling die appellant op 18 januari 2006 heeft ondergaan is de bezwaarverzekeringsarts van mening dat de verzekeringsarts voldoende rugbeperkingen heeft vastgesteld, rekening houdend met het pathologisch substraat, de opbouwadviezen van de anesthesioloog en een termijn van twee maanden tussen de behandeling en datum in geding.

1.7. Bij besluit van 28 november 2006 heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

28 november 2006 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank is onder meer van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 2 november 2006 aan de hand van de conclusie van de anesthesioloog voldoende heeft gemotiveerd waarom voldoende rugbeperkingen zijn vastgesteld.

3. In hoger beroep heeft appellant zich, evenals in bezwaar en beroep, op het standpunt gesteld ten gevolge van ernstige gezondheidsklachten volledig arbeidsongeschikt te zijn. Hij stelt maar zeer kort te kunnen zitten, staan en lopen, vanwege constante pijn in zijn rug die uitstraalt naar zijn linkerbeen en linkerhiel. Daarnaast heeft hij pijn in de nek en last van allergieën. Appellant stelt hierdoor niet normaal in het dagelijks leven te kunnen functioneren. Daarbij is volgens appellant te weinig rekening gehouden met de omstandigheid dat hij nog diende te herstellen van de behandeling op 18 januari 2006.

4.1. Met het Uwv is de Raad van oordeel dat bij appellant geen sprake is van een situatie waarin volgens de standaard 'Geen duurzaam benutbare mogelijkheden' sprake is van geen duurzaam benutbare mogelijkheden. Niet is gebleken dat appellant duurzaam ADL-afhankelijk en/of bedlegerig is, dan wel langdurig is opgenomen. Appellant heeft zijn stelling dat hij volledig arbeidsongeschikt is en niet normaal kan functioneren in het dagelijks leven niet onderbouwd met medische gegevens. De allergieën dan wel beperkingen vanwege deze allergieën zijn, behalve zijn hooikoorts, evenmin onderbouwd met medische gegevens.

4.2. De Raad is evenwel van oordeel dat door het Uwv te weinig rekening is gehouden met de omstandigheid dat appellant op de datum hier in geding recent een behandeling had ondergaan, waardoor appellant nog in een herstelfase zat. De verzekeringsarts heeft geen volledig bewegingsonderzoek kunnen doen, vanwege de aan appellant opgelegde beperkingen na de behandeling. Ondanks de opgevraagde en ontvangen informatie van de anesthesioloog heeft de verzekeringsarts geen aandacht besteed aan het gegeven dat appellant in een herstelfase zat en evenmin aanleiding gezien om de beoordeling enkele maanden uit te stellen. Er is in de zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) weliswaar rekening gehouden met beperkingen per datum in geding, maar de Raad stelt vast dat dit slechts lichte beperkingen betreft. Deze houden wel enigszins rekening met rugklachten, maar appellant wordt in staat geacht om 300 keer per uur te buigen, ongeveer zes tot acht uur zitten, zonodig de helft van de werkdag staan en normaal gebogen en/of getordeerd actief zijn. Niet duidelijk is om appellant hiertoe in staat was op de datum hier in geding, twee maanden na de door hem ondergane behandeling. Hierdoor is er naar het oordeel van de Raad sprake van een gebrek in de primaire besluitvorming.

4.3. Uit het karakter van de bezwaarprocedure vloeit voort dat een volledige heroverweging moet plaatsvinden, zodat eventuele gebreken in de primaire besluitvorming kunnen worden hersteld. Dat houdt niet in dat in alle gevallen een volledig medisch onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts dient plaats te vinden. Afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval kan ook worden volstaan met het horen van een betrokkene tijdens de hoorzitting of met louter dossieronderzoek.

De bezwaarverzekeringsarts heeft, ondanks het feit dat appellant ten tijde van de datum hier in geding mogelijk nog in een herstelfase zat, geen aanleiding gezien om appellant in bezwaar op te roepen voor lichamelijk onderzoek. Nu de bezwaarverzekeringsarts appellant niet voor lichamelijk onderzoek heeft opgeroepen, is niet nagegaan of de in de FML vastgestelde mogelijkheden en beperkingen op de datum hier in geding juist waren. In het onderhavige geval had naar het oordeel van de Raad dan ook niet kunnen worden volstaan met louter een beoordeling op grond van het dossier en had een nader medisch onderzoek door een bezwaarverzekeringsarts dienen plaats te vinden.

4.4. Gelet op het hiervoor overwogene is het bestreden besluit naar het oordeel van de Raad onvoldoende zorgvuldig voorbereid en zal het, evenals de aangevallen uitspraak, worden vernietigd. Het Uwv dient een nieuw besluit op het bezwaar van appellant te nemen.

5. Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep.

Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op

€ 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 1288,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 144,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op

19 december 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

KR