Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG8429

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-12-2008
Datum publicatie
29-12-2008
Zaaknummer
08-2484 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kosten van verkeersovertreding in rekening gebracht bij appellant. Verwijtbaarheid. Verhaal verkeersboete op politieambtenaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2009/40
JB 2009/63
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2484 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 11 maart 2008, 07/648 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Noord- en Oost-Gelderland (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 11 december 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2008, waar namens appellant is verschenen mr. P. de Casparis, werkzaam bij de Nederlandse Politiebond. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Niks, werkzaam bij de politieregio Noord- en Oost-Gelderland (hierna: politieregio).

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is werkzaam als rechercheur bij de politieregio. Op 5 juli 2006 is om 7.12 uur bij een snelheidscontrole op de Deventerweg binnen de bebouwde kom van Harderwijk vastgesteld dat appellant, die in een onopvallende dienstauto op weg was naar een voorgeleiding, de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 km per uur met 7 km (na correctie) heeft overschreden. In verband met deze overtreding is aan de politieregio, als kentekenhouder van de dienstauto, een boete opgelegd van € 27,-.

1.2. Bij besluit van 25 september 2006, zoals gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 7 maart 2007, heeft de korpsbeheerder de kosten van deze boete bij appellant in rekening gebracht. De korpsbeheerder heeft zijn besluit gebaseerd op artikel 68, eerste lid, van het Besluit arbeidsvoorwaarden politie (Barp), op grond waarvan het bevoegd gezag de ambtenaar kan verplichten de door de dienst geleden schade, voor zover deze aan de ambtenaar is te wijten, geheel of gedeeltelijk te vergoeden.

1.3. De korpsbeheerder stelt zich op het standpunt dat van verwijtbaarheid sprake is. Van een politieambtenaar mag bijzondere oplettendheid worden verwacht daar waar het gaat om het zich houden aan de geldende verkeersregels. Het minste wat van een ambtenaar van politie, een organisatie die mede belast is met de handhaving van de verkeersregels, verwacht mag worden, is dat hij of zij zich zelf aan die regels houdt. Ook uit een oogpunt van integriteit van de politieambtenaar dient die ervoor te zorgen geen onnodige verkeersovertredingen te maken. Daar komt bij, aldus de korpsbeheerder, dat de politieambtenaar op grond van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en de daarop gebaseerde Regeling houdende vrijstelling van de bepalingen van het RVV 1990, vrijstelling van de verkeersregels heeft, indien dit voor de uitvoering van de opgedragen politietaak noodzakelijk is. Indien die noodzaak er niet is, zoals in dit geval, en er niettemin een verkeersovertreding wordt begaan, is er volgens de korpsbeheerder sprake van opzet of daarmee gelijk te stellen roekeloosheid en kan de als gevolg daarvan opgelegde boete op grond van artikel 68 van het Barp op de ambtenaar worden verhaald. Dit is een vaste gedragslijn van de korpsbeheerder, die binnen het korps bekend is gemaakt door middel van publicatie op Intranet in mei 2005.

2.1. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak dit standpunt van de korpsbeheerder onderschreven en het beroep van appellant ongegrond verklaard.

2.2. In hoger beroep handhaaft appellant de stelling dat in zijn geval niet gesproken kan worden van opzet of bewuste roekeloosheid. Appellant beroept zich daarbij onder meer op de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Gravenhage van 12 mei 2006, LJN AX1690, waarin het hof heeft overwogen dat in het algemeen bij geringe snelheidsovertredingen (tot 10 km per uur) geen sprake zal zijn van opzet of bewuste roekeloosheid. Dit heeft tot gevolg dat dergelijke overtredingen, begaan onder werktijd door werknemers met een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, voor rekening van de werkgever komen. Nu uit rechtspraak van de Raad kan worden afgeleid dat het ambtelijke en het civiele schadevergoedingsrecht naar elkaar toegroeien, meent appellant dat dit ook het geval zou moeten zijn met betrekking tot de hier aanwezige verhaalsmogelijkheid van de werk-gever. Voorts meent appellant dat het niet juist is om bij politieambtenaren een strengere maatstaf aan te leggen dan bij andere werknemers. Tenslotte meent appellant dat de korpsbeheerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij in dit geval geen reden heeft gezien om van zijn gedragslijn af te wijken.

2.3. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant, inmiddels bekend met het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2008, LJN BC8791, op het cassatieberoep tegen voornoemde uitspraak van het Gerechtshof ’s-Gravenhage, het standpunt gehandhaafd dat de korpsbeheerder de boete niet op appellant mag verhalen. Daarbij is erop gewezen dat artikel 68 van het Barp en het in het arrest van de Hoge Raad in geding zijnde artikel 7:661 van het Burgerlijk Wetboek (BW) niet gelijkluidend zijn en op het feit dat artikel 68 van het Barp een discretionaire bevoegdheid inhoudt.

3. De Raad overweegt het volgende.

3.1. Artikel 68 van het Barp bevat een specifieke rechtspositionele bepaling voor de verhaalsmogelijkheden op de ambtenaar die schade toebrengt aan de werkgever. In zijn uitspraken van 28 april 1994, LJN AK5743 en TAR 1994, 137 en 19 mei 1994, LJN ZB5054 en TAR 1994, 157, heeft de Raad uitgesproken dat een bepaling als hier aan de orde aldus dient te worden uitgelegd dat eerst van de daarin vervatte bevoegdheid tot het verhalen van door de dienst geleden schade op de ambtenaar gebruik gemaakt kan worden, indien deze ambtenaar op een verwijtbare wijze een nodeloos risico heeft genomen, waarbij is overwogen dat in het algemeen sprake zal moeten zijn van een aan opzet of bewuste roekeloosheid grenzende ernstige verwijtbaarheid. In de genoemde gevallen ging het respectievelijk om schade als gevolg van een aanrijding met een dienstvoertuig en om schade door het verspelen van een dienstwapen.

3.2. Gezien de aard van de in dit geval door de dienst geleden schade, te weten een boete ter zake van een door de ambtenaar tijdens de dienst begane verkeersovertreding, ziet de Raad aanleiding op deze algemene maatstaf een uitzondering te maken. Als uitgangspunt dient volgens de Raad te gelden dat de korpsbeheerder de opgelegde boetes voor door de politieambtenaar begane verkeersovertredingen op grond van artikel 68 van het Barp kan verhalen, tenzij de ambtenaar van die overtreding geen verwijt kan worden gemaakt. Waar artikel 68 van het Barp een discretionaire bevoegdheid inhoudt, laat dit onverlet de mogelijkheid voor de korpsbeheerder om in individuele gevallen, ondanks een mogelijk verwijt aan de ambtenaar, toch niet tot verhaal over te gaan.

3.3. Voornoemd uitgangspunt strookt met het uitgangspunt zoals neergelegd in de “Circulaire Verkeersboetes” van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijks-relaties van 10 juli 2008 (Stcrt. 139), gebaseerd op onder meer - het met artikel 68 van het Barp vergelijkbare - artikel 66 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement met betrekking tot de verhaalsmogelijkheden van verkeersboetes. De Raad merkt hierbij nog op dat de Hoge Raad in zijn eerder genoemde arrest van 13 juni 2008 ten aanzien van toepassing van artikel 7:661 van het BW, waarin een soortgelijke norm is neergelegd als in artikel 68 van het Barp, ten aanzien van verkeersboetes van werknemers werkzaam in privaatrechtelijke dienstbetrekkingen tot eenzelfde resultaat komt.

3.4. Toegespitst op de onderhavige zaak concludeert de Raad dat niet gezegd kan worden dat appellant geen verwijt kan worden gemaakt van het overtreden van de maximum snelheid. Appellant heeft erkend bekend te zijn met voornoemde gedragslijn en bestrijdt voorts niet dat hij geen beroep kan doen op de hiervoor genoemde vrijstelling. Gesteld noch gebleken is dat er voor appellant een noodzaak bestond die overtreding te maken, of dat de korpsbeheerder het begaan van de overtreding heeft bevorderd.

3.5. Met betrekking tot de stelling van appellant dat het om een eenmalige geringe fout ging, die eenieder, ook een politieambtenaar die veelvuldig aan het verkeer deelneemt, een keer kan overkomen en dat dit voor de korpsbeheerder aanleiding had moeten zijn om met gebruikmaking van zijn discretionaire bevoegdheid af te zien van het verhalen van de boete, is de Raad met de korpsbeheerder van oordeel dat dit geen omstandigheden zijn op grond waarvan de korpsbeheerder van verhaal had moeten afzien. De Raad onderschrijft de opvatting van de korpsbeheerder dat van een politieambtenaar mag worden verwacht dat hij zich in de uitoefening van zijn functie, buiten de gevallen waarvoor de vrijstelling geldt, strikt aan de verkeersregels houdt.

3.6. Op grond van het vorenstaande komt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, zij het op andere gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.

4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en K.J. Kraan en J.L.P.G. van Thiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.A. Reinders als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 december 2008.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) M.J.A. Reinders.

HD

Q