Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG8420

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2008
Datum publicatie
30-12-2008
Zaaknummer
07-4132 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Arbeidsongeschiktheidspercentage is vastgesteld aan de hand van een praktische schatting op de door appellant gerealiseerde verdiensten in zijn eigen werk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4132 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 juni 2007, 05/9605

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 19 december 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C. Teiwes, advocaat te Alphen aan den Rijn, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2008. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer C. van Nood.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als eiser is aangeduid en het Uwv als verweerder, ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:

“Bij besluit van 12 juli 2005 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat zijn uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, per 9 september 2005 wordt ingetrokken omdat de mate van arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 15% bedraagt. Bij besluit van 6 december 2005 heeft verweerder het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar gegrond verklaard. De beslissing van 12 juli 2005 kan om arbeidskundige redenen niet in stand blijven. De uitkering ingevolge de WAO wordt wederom vastgesteld op 45-55%.”

2. De rechtbank heeft, na raadpleging van de oogarts C. la Lau als deskundige, het ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellants gemachtigde in een uitgebreid aanvullend beroepschrift aangevoerd waarom appellant zich niet met de aangevallen uitspraak kan verenigen. Hij is, samengevat, van oordeel dat bij de beoordeling van zijn arbeidsongeschiktheid niet alleen naar medisch objectiveerbare beperkingen moet worden gekeken maar ook naar de hele situatie (waaronder de thuissituatie) waarin appellant zich bevindt.

4. De Raad overweegt, mede gezien de bevindingen van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige La Lau, geen aanleiding te hebben gevonden om de vaststelling van appellants beperkingen zoals neergelegd op de Functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 21 april 2005 voor onjuist te houden. Daarbij merkt hij op dat appellant zijn hoger beroep niet heeft onderbouwd met nadere, van (behandelend) artsen afkomstige, medische gegevens. De Raad onderschrijft dan ook de overwegingen van de rechtbank ter zake.

5. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

6.1. Ten overvloede overweegt de Raad, mede gelet op het verhandelde ter zitting, nog het volgende.

6.2. Het is de Raad niet ontgaan dat de bezwaararbeidsdeskundige F. van Kempen in zijn rapportage van 2 december 2005 vier van de zes oorspronkelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies alsnog ongeschikt heeft geacht. Daaruit is de in het bestreden besluit neergelegde conclusie getrokken dat het hiervoor genoemde primaire besluit niet langer kon worden gehandhaafd. Aldus kan niet langer worden gesproken van een theoretische schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid.

6.3. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van het Uwv aangegeven dat het arbeidsongeschiktheidspercentage 45-55 (impliciet) is vastgesteld aan de hand van een praktische schatting op de door appellant gerealiseerde verdiensten in zijn eigen werk.

Nu de schatting derhalve niet is gebaseerd op het uitgangspunt van volledige geschiktheid voor zijn eigen werk, stelt de Raad in dit verband vast, mede uit een oogpunt van voorlichting van appellant, dat het standpunt van het Uwv inhoudt dat appellant op basis van de FML weliswaar volledig geschikt is te achten voor gangbare arbeid, maar dat hij (dus) niet geschikt wordt geacht om zijn eigen werk bij de KLM in fulltime-omvang te verrichten.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op

19 december 2008.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

KR