Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG8402

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-12-2008
Datum publicatie
30-12-2008
Zaaknummer
07-6261 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering voorschotten. Omvang geding. Voorschotkarakter van de uitbetaling. Geen schending rechtszekerheidsbeginsel. Geen dringende reden om af te zien van terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/6261 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 1 oktober 2007, 06/4693 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 december 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M.C. Frissart-Kallenbach, advocaat te Nijmegen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank hieromtrent met juistheid in de aangevallen uitspraak heeft overwogen. Hier volstaat de Raad met het volgende.

1.2. Bij besluit van 26 januari 2006 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij per einde wachttijd met ingang van 27 december 2004 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), omdat uit onderzoek is gebleken dat hij wegens ziekte of gebrek niet zodanig is beperkt dat hij daardoor ongeschikt is tot het verrichten van zijn maatgevende arbeid. Het Uwv heeft het door appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 26 januari 2006 ongegrond verklaard. Tegen het besluit op bezwaar is geen beroep ingesteld.

1.3. Bij besluit van 24 april 2006 heeft het Uwv de over de periode van 27 december 2004 tot 1 februari 2006 aan appellant teveel betaalde WAO-uitkering tot een brutobedrag ter hoogte van € 11.688,21 van hem teruggevorderd. Bij besluit op bezwaar van 31 oktober 2006 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 april 2006 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat appellant op de hoogte was van het feit dat de uitbetalingen over de genoemde periode in de vorm van een voorlopige uitkering dan wel voorschot plaatsvonden en dat uitbetaalde voorschotten eventueel teruggevorderd konden worden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van wettelijke rente afgewezen. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat appellant op het moment dat aan hem voor het eerst een (nabetaald) voorschot is verstrekt, te weten op 25 februari 2005, op de hoogte is geweest van het feit dat het hier een voorschot, althans de nabetaling van een voorschot betrof en dus geen definitief vastgesteld recht op een uitkering. Voorts bleek volgens de rechtbank uit de brief van appellant aan het Uwv van 14 april 2005 dat hij terdege op de hoogte was van het feit dat een voorschot kon worden teruggevorderd. Mitsdien was de rechtbank van oordeel dat het Uwv niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel heeft gehandeld door de betalingen als gedaan voorschot op de WAO-uitkering per einde wachttijd van appellant terug te vorderen. Voorts heeft de rechtbank geen dringende reden gezien op grond waarvan het Uwv niet tot terugvordering diende over te gaan.

3. Onder verwijzing naar hetgeen reeds in bezwaar en beroep is aangevoerd, heeft appellant gesteld dat het Uwv ten onrechte tot terugvordering is overgegaan nu hem geen beschikking is uitgereikt waaruit hem de status van de uitkering (voorlopige uitkering/voorschot met mogelijkheid tot terugvordering) blijkt. Appellant acht de terugvordering dan ook in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Voorts heeft appellant gewezen op een parallel van zijn zaak met die welke onderwerp was in de uitspraak van de Raad van 6 juni 2006, LJN AX8981, op grond waarvan in zijn visie terugvordering eveneens achterwege zou dienen te blijven.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. Met betrekking tot de omvang van het geding stelt de Raad het volgende vast. Anders dan appellant wenst, kan de Raad in het bestreden besluit geen intrekking van een voorschot lezen, doch uitsluitend een besluit tot terugvordering, terwijl ook de grieven van appellant in bezwaar en beroep zich uitsluitend tegen die terugvordering richten. De Raad zal derhalve voorbij gaan aan hetgeen appellant heeft opgemerkt over die intrekkingsbeslissing.

4.2. De Raad stelt vast dat appellant in aanmerking wenste te komen voor een WAO-uitkering per einde wachttijd op 27 december 2004 en dat in die situatie, alvorens door het Uwv een besluit op de aanvraag wordt genomen, eerst een medisch en arbeidskundig onderzoek dient plaats te vinden. Nu dergelijke onderzoeken niet hebben plaatsgevonden, is de Raad van oordeel dat appellant aan het enkele indienen van een aanvraag niet de gerechtvaardigde verwachting kon ontlenen dat hem een uitkering zou worden toegekend en dat de door hem in februari 2005 ontvangen betaling als een toekenning van die uitkering kon worden beschouwd. Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking dat appellant, blijkens een (niet verzonden) brief van het Uwv van 18 februari 2005, op

4 februari 2005 zelf telefonisch om toekenning van een voorschot heeft verzocht, terwijl appellant in zijn brief van 14 april 2005 eveneens over een voorschot dat kan worden teruggevorderd spreekt en ook in daarna door het Uwv met appellant gevoerde correspondentie sprake is van het voorschotkarakter van de uitbetaling. Gelet op het voorgaande is de Raad van oordeel dat appellant geacht moest worden te weten dat de uitbetalingen die hij over de periode van 27 december 2004 tot 1 februari 2006 ontving het karakter van een voorschot droegen en dat deze betalingen van hem zouden kunnen worden teruggevorderd indien zou blijken dat hij geen recht op een WAO-uitkering zou hebben.

4.3. Nu vaststaat dat appellant geen recht heeft op een WAO-uitkering, zijn de voorschotten over de genoemde periode onverschuldigd aan hem betaald en is het Uwv op grond van artikel 57, eerste lid, van de WAO terecht tot terugvordering overgegaan. Gelet op de hiervoor onder 4.1 geschetste omstandigheden is de Raad van oordeel dat daarbij van schending van het rechtszekerheidsbeginsel geen sprake is. Evenmin kan het beroep van appellant op ’s-Raads uitspraak van 6 juni 2006 slagen nu daarin, anders dan in dit geval, het karakter van de betalingen appellant duidelijk was. Van dringende redenen om van terugvordering af te zien, zoals appellant verzoekt, is niet gebleken.

4.4. Het standpunt van appellant dat het Uwv in strijd zou hebben gehandeld met zijn eigen beleid inzake terugvordering en verrekening, wat daarvan ook zij, kan de Raad niet tot een ander oordeel leiden, nu deze grief eerst ter zitting naar voren is gebracht en mitsdien als tardief aangevoerd in strijd met een goede procesorde wordt aangemerkt.

4.5. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen, komt de Raad tot de conclusie dat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit terecht ongegrond heeft verklaard. Dat leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III.BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en T. Hoogenboom en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 december 2008.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) W.R. de Vries.

GdJ