Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG8392

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-12-2008
Datum publicatie
29-12-2008
Zaaknummer
08-535 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medische fitness kan deze niet op één lijn worden gesteld met fysiotherapie. Geen sprake van individuele therapie die als noodzakelijke geneeskundige behandeling moet worden aangemerkt. Weigering vergoeding medische fitness, geen medisch noodzakelijke voorziening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/535 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 11 december 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 13 december 2007, kenmerk BZ 7849, JZ/P70/2007, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet), verder: het bestreden besluit.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2008. Appellant is verschenen en verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en verweerster heeft aan hem toegekend de toeslag op grond van artikel 19 van de Wet en diverse voorzieningen. Aanvaard is dat de psychische klachten en de rugklachten van appellant in verband staan met het door hem meegemaakte oorlogsgeweld.

1.2. In januari 2007 heeft appellant bij verweerster een aanvraag ingediend voor vergoeding van medische fitness. Bij besluit van 22 juni 2007 heeft verweerster hierop afwijzend beslist, welke afwijzing na bezwaar is gehandhaafd bij het bestreden besluit.

2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep naar voren is gebracht overweegt de Raad als volgt.

2.1. Aan de onderhavige weigering ligt ten grondslag het op het advies van de geneeskundig adviseur G.L.G. Kho gebaseerde oordeel dat de fitness, waarvoor appellant vergoeding wenst, wordt gevolgd in een sportcentrum waar iedereen naar toe kan gaan en waar niet telkens sprake is van persoonlijke begeleiding door een fysiotherapeut. Hiermee is geen sprake van een medisch noodzakelijke voorziening, ook al is er een verwijzing door de huisarts.

2.2. De Raad kan verweerster in dit standpunt volgen. Op grond van de zich onder de gedingstukken bevindende informatie met betrekking tot de aan de orde zijnde medische fitness kan deze niet op één lijn worden gesteld met fysiotherapie. Deze medische fitness is normale fitness met een iets intensievere begeleiding, een intake en eens per drie weken een evaluatie door de fysiotherapeut en heeft een andere doelstelling dan fysiotherapie. Deze medische fitness is met name bedoeld als vervolg op fysiotherapie voor mensen die meer begeleiding wensen dan bij normale fitness wordt gegeven. Daarmee is geen sprake van individuele therapie die als noodzakelijke geneeskundige behandeling in de zin van artikel 32 van de Wet moet worden aangemerkt. Appellant volgt overigens tot nu toe nog steeds de normale fitness.

2.3. Dat medische fitness volgens het BIG-register en informatie van het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie behoort tot het gebied van de deskundigheid van de fysiotherapeut, namelijk bewegingstherapie en in die zin door dit genootschap, ook in groepsverband, wordt aangemerkt als een medische behandeling, kan niet tot een ander oordeel leiden. De Raad acht de opvatting van verweerster om slechts tot vergoeding over te gaan van individuele fysiotherapeutische behandeling aanvaardbaar.

3. Nu de Raad ook in hetgeen overigens door appellant naar voren is gebracht geen aanleiding heeft gevonden het bestreden besluit in rechte onhoudbaar te achten, dient het beroep van appellant ongegrond te worden verklaard.

4. De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 december 2008.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. van Berlo.

HD