Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG8389

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2008
Datum publicatie
29-12-2008
Zaaknummer
08-555 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voor de uitvoering van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de WSF 2000 maakt de IB-Groep gebruik van verschillende adressenbestanden. Van studerenden wordt verlangd dat zij adreswijzigingen voor de toepassing van de WSF 2000 separaat doorgeven. Het opgegeven adres wijkt af van het adres in de GBA.

Wetsverwijzingen
Wet studiefinanciering 2000
Wet studiefinanciering 2000 1.5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/555 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 17 december 2007, 07/937 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).

Datum uitspraak: 19 december 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.G.M. Frerix, advocaat te Ede, hoger beroep ingesteld.

De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2008. Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr. Frerix. De IB-Groep was vertegenwoordigd door mr. drs. K. Meijer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij brieven van 8 december 2006, verzonden naar het adres [adres 1] te Tilburg en naar het adres [adres 2] te Tilburg, heeft de IB-Groep aan appellant meegedeeld dat bij controle is gebleken dat het woonadres dat hij aan de IB-Groep heeft doorgegeven ([adres 1] te Tilburg) in de maand november 2006 afwijkt van het woonadres waarop hij in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) staat ingeschreven ([adres 2] te Tilburg). Appellant is in die brief gewaarschuwd dat indien hij de afwijking tussen genoemde adresregistraties niet binnen vier weken ongedaan maakt, de hem toegekende beurs naar de norm voor een uitwonende studerende met ingang van november 2006 wordt omgezet in een beurs naar de norm voor een thuiswonende studerende.

1.2. Appellant heeft niet binnen vier weken gereageerd. Vervolgens heeft de IB-Groep bij besluiten van 16 februari 2007 (Bericht Studiefinanciering 2006, nr. 3 en Bericht Studiefinanciering 2007, nr. 2) de aan appellant toegekende studiefinanciering met ingang van november 2006 omgezet in een beurs naar de norm van een thuiswonende studerende.

1.3. Tegen het besluit van 16 februari 2007 heeft appellant bezwaar gemaakt. Daartoe heeft appellant aangevoerd dat hij vanaf 8 augustus 2006 niet meer bij zijn ouders in de Verenigde Staten van Amerika woont en dus in aanmerking komt voor een beurs naar de norm voor een uitwonende studerende. Verder heeft appellant aangegeven dat hij per 1 oktober 2006 binnen Tilburg is verhuisd van de [adres 1] naar de [adres 2] en dat hij van deze verhuizing reeds bij brief van 1 oktober 2006 aan de IB-Groep opgaaf heeft gedaan, met dien verstande dat deze brief verzonden is naar het postbusnummer van de afdeling Aanmelden en plaatsing en niet naar het postbusnummer van de afdeling Studiefinanciering.

1.4. De IB-Groep heeft het bezwaar bij besluit van 24 mei 2007 (bestreden besluit) onder verwijzing naar artikel 1.5 van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000) ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de brief van appellant van 1 oktober 2006 niet in de (WSF-)administratie van de IB-Groep is aangetroffen en dat appellant er niet tijdig voor heeft gezorgd dat ongedaan is gemaakt de afwijking die is ontstaan tussen wat is geregistreerd in de GBA en wat is geregistreerd in de WSF-administratie, terwijl evenmin is gebleken dat appellant van de afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is onder meer verwezen naar de uitspraak van de Raad van 15 december 2006 (LJN: AZ4707).

3. Namens appellant is hoger beroep ingesteld. Daartoe heeft appellant onder meer doen aanvoeren dat hij zich niet kan herinneren de waarschuwingen van 8 december 2006 te hebben ontvangen en dat hij rond die tijd in de Verenigde Staten van Amerika verbleef.

4.1. De Raad overweegt het volgende.

4.2. Niet in geschil is dat appellant ten tijde van belang uitwonend was. Ingevolge artikel 1.5 van de WSF 2000 is het recht op studiefinanciering naar de norm voor een uitwonende studerende evenwel, zoals de Raad eerder overwoog in onder meer zijn uitspraak van 2 december 2005 (LJN: AU7521) mede afhankelijk gesteld van de formele toekenningsvoorwaarde dat het adres dat de uitwonende studerende aan de IB-Groep als woonadres heeft opgegeven, overeenkomt met het adres waarop deze studerende ingeschreven staat in de GBA, met dien verstande dat de uitwonende studerende wordt geacht met terugwerkende kracht aan deze voorwaarde te hebben voldaan indien hij een gebleken afwijking na bekendmaking ervan binnen vier weken ongedaan maakt of laat maken. Verder geldt de voorwaarde van met elkaar overeenkomende adresregistraties niet indien de uitwonende studerende van de afwijking tussen beide woonadresregistraties redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.

4.3. Zoals de Raad eerder overwoog in onder meer zijn door de rechtbank aangehaalde uitspraak van 15 december 2006 is er geen juridische grond om niet aanvaardbaar te achten dat de IB-Groep voor de uitvoering van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de WSF 2000 gebruik maakt van verschillende adressenbestanden en van studerenden verlangt dat zij adreswijzigingen voor de toepassing van de WSF 2000 separaat doorgeven. Niettegenstaande het feit dat appellant bij brief van 1 oktober 2006 aan de afdeling Aanmelden en plaatsing van de IB-Groep opgaaf heeft gedaan van zijn verhuizing naar de [adres 2] te Tilburg, staat dus vast dat het door appellant aan de IB-Groep opgegeven woonadres in november 2006 afweek van het adres waarop appellant in de GBA ingeschreven stond. Bij brieven van 8 december 2006, waarvan de Raad de correcte bezorging genoegzaam aannemelijk acht, heeft de IB-Groep deze afwijking aan appellant bekendgemaakt en hem in de gelegenheid gesteld haar binnen vier weken ongedaan te maken. Gegeven de duidelijke tekst van de waarschuwingsbrieven van 8 december 2006 had het op de weg van appellant gelegen om terstond alsnog bij de afdeling Studiefinanciering van de IB-Groep mededeling te doen van zijn feitelijke woonadres te Tilburg. Dat appellant rond 8 december 2006 in de Verenigde Staten van Amerika verbleef, is een omstandigheid die voor zijn rekening komt; appellant had er zorg voor dienen te dragen dat gedurende zijn afwezigheid van meerdere weken adequaat zou worden gereageerd op aan zijn adres(sen) hier te lande bezorgde post. Derhalve is er geen grond voor de conclusie dat appellant van (het voortbestaan van) de afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.

4.4. Uit rechtsoverweging 4.3 vloeit voort dat het hoger beroep faalt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 december 2008.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) A.C. Palmboom.

KR