Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG8380

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-12-2008
Datum publicatie
30-12-2008
Zaaknummer
07-3540 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Medische grondslag voldoende deugdelijk. Eerst na de totstandkoming van het bestreden besluit voldoende heldere en inzichtelijke arbeidskundige toelichting verkregen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3540 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 11 mei 2007, 06/3968

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 december 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft J.C. van Beek, werkzaam bij SRK rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 16 september 2008 heeft de Raad vragen gesteld aan het Uwv, welke het Uwv bij brief van 23 september 2008 heeft beantwoord door middel van inzending van een rapport van 22 september 2008 van J.C.M. Horeman, bezwaararbeidsdeskundige.

Bij brief van 24 oktober 2008 heeft voormelde gemachtigde nog een nadere uiteenzetting gegeven en stukken in het geding gebracht.

Bij fax van 3 november 2008 heeft het Uwv nog een stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2008. Appellante is met voorafgaand bericht niet verschenen. Haar gemachtigde is evenmin verschenen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante werkzaam als telefoniste/receptioniste, heeft zich op 11 februari 2003 ziek gemeld met psychische klachten (met name agorafobie). Na afloop van de wettelijke wachttijd is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een percentage van 80 tot 100%. Daaraan lag onder meer een verzekeringsgeneeskundig rapport van 29 maart 2004 ten grondslag, waarin wordt vermeld dat bij appellante sprake is van een sociale fobie (in samenhang met alcoholgebruik), waarvoor zij recent een dagbehandeling is gestart bij een AWBZ-erkende inrichting (de Symfora groep). In een rapport van

22 maart 2006 heeft de verzekeringsarts J. Troost vermeld dat appellante de bedoelde behandeling al na enkele weken had gestaakt en dat haar medische situatie zodanig is dat er benutbare arbeidsmogelijkheden aanwijsbaar zijn, mits met (sterke) beperkingen op het vlak van het persoonlijk en sociaal functioneren rekening wordt gehouden. Deze beperkingen (samen met enkele fysieke beperkingen) heeft hij vastgelegd in een Functionele mogelijkhedenlijst (FML). De arbeidsdeskundige van het Uwv F. Bosscher heeft in zijn rapport van 25 april 2006 vervolgens een aantal voor appellante geschikt te achten functies geduid en gemotiveerd dat deze functies voldoen aan de gestelde beperkingen met betrekking tot onder andere conflicthantering, samenwerken en (het ontbreken van) veelvuldige deadlines. Het verlies aan verdiencapaciteit is bij het verrichten van (een van) deze functies te stellen op minder dan 15%. Het Uwv heeft bij besluit van 31 mei 2006 de WAO-uitkering van appellante per 31 juli 2006 ingetrokken.

2. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen laatstgenoemd besluit en daarbij brieven van haar huisarts en van de Symfora-groep ingezonden. De bezwaarverzekeringsarts van het Uwv heeft appellante op zijn spreekuur van 11 september 2006 gezien en op grond van zijn bevindingen en de overige voorhanden informatie geconcludeerd, dat er geen dan wel onvoldoende redenen zijn om niet aan te nemen dat appellante niet in enige mate in arbeid zou kunnen functioneren. De bezwaararbeidsdeskundige heeft blijkens zijn rapport van 13 september 2006 nog informatie bij de voormalige werkgever van appellante ingewonnen over haar functioneren aldaar. Het Uwv heeft bij besluit van 6 oktober 2006 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

3.1. Namens appellante is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij is evenals in bezwaar gesteld, dat haar beperkingen door het Uwv zijn onderschat (met name omdat zij niet zonder begeleiding op straat durft) alsmede dat de geschiktheid van de geduide functies voor haar onvoldoende is gemotiveerd. In het kader van het beroep heeft de bezwaararbeidskundige Horeman voornoemd in zijn rapport van 15 maart 2007 een nadere toelichting op de selectie en de geschiktheid van de geduide functies gegeven.

3.2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven en geoordeeld dat de arbeidskundige basis ervan voldoende is toegelicht.

4. In het namens appellante ingestelde hoger beroep is (wederom) aangegeven dat haar beperkingen zijn onderschat en dat zij de geduide functies in verband daarmee niet kan verrichten, met name omdat daarin eisen worden gesteld ten aanzien van het samenwerken en er in die functies deadlines en productiepieken (kunnen) voorkomen. Ook acht zij de arbeidskundige toelichting onvoldoende.

5.1. De Raad oordeelt als volgt.

5.2. De Raad acht met de rechtbank de medische grondslag van het bestreden besluit voldoende deugdelijk. Appellante heeft geen adequate onderbouwing gegeven voor haar stelling dat er bij haar geen benutbare arbeidsmogelijkheden zouden bestaan dan wel dat zij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Weliswaar zijn enkele brieven van haar huisarts in geding gebracht waarin wordt gesproken over het bestaan bij appellante van een sociale fobie, maar tevens heeft appellante, als vermeld, een specialistische behandeling terzake al na enkele weken afgebroken. De aard en ernst van deze aandoening bij appellante is daardoor onduidelijk gebleven. De Raad merkt bovendien op dat in de FML aanzienlijke beperkingen op het vlak van het persoonlijk en sociaal functioneren zijn opgenomen.

5.3. De arbeidskundige basis van het bestreden besluit acht de Raad (uiteindelijk) voldoende toegelicht, met name in het rapport van 25 april 2006 van de arbeidsdeskundige Bosscher voornoemd en de nadien door het Uwv verstrekte rapporten. Voor zover er twijfel zou kunnen bestaan aan de geschiktheid voor appellante van de functie van wasserijmedewerker (d.w.z. een van de functiecodes die onder het desbetreffende functienummer valt), in verband met het overschrijden van de zogenoemde normaalwaarde bij het item kortcyclisch torderen, moet worden gesteld dat er bij het wegvallen van deze functie nog genoeg andere functies resteren om de schatting te kunnen dragen. Het percentage van arbeidsongeschiktheid wijzigt daardoor niet. Ook acht de Raad voldoende onderbouwd dat de eisen die in enkele functies aan het aspect samenwerken worden gesteld de belastbaarheid van appellante niet te boven gaan; hetzelfde geldt voor het item met betrekking tot het (ontbreken van) veelvuldige deadlines.

5.4. Nu echter een voldoende helder en inzichtelijk te achten arbeidskundige toelichting eerst na het totstandkomen van het bestreden besluit is verkregen, zal de Raad conform de rechtspraak terzake het bestreden besluit vernietigen, maar bestaat er, gelet op het voorgaande, voldoende aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Ook de aangevallen uitspraak, waarbij het beroep ongegrond is verklaard, komt voor vernietiging in aanmerking.

6. De Raad acht termen aanwezig het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep, te begroten op € 644,- (in beroep) en € 322,- (in hoger beroep), in totaal € 966,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante, te begroten op in totaal € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 144,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen als voorzitter en, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, in het openbaar uitgesproken op 16 december 2008.

(get.) J. Riphagen.

(get.) I.R.A. van Raaij.

KR