Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG8378

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-12-2008
Datum publicatie
29-12-2008
Zaaknummer
08-960 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De Raad is van oordeel dat bij aanvragen op grond van de Wet in de situatie dat een betrokkene langer geheel of gedeeltelijk in het arbeidsproces werkzaam blijft, zoals appellant die naast het beroep van part-time freelance docent in het vrije beroep van kunstenaar werkzaam is gebleven, verweerster op grond van de omstandigheden van het concrete geval dient te beoordelen of bij een betrokkene na zijn 65 jarige leeftijd sprake is van een feitelijke inkomstenderving als gevolg van de oorlogsinvaliditeit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/960 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 11 december 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening

28 december 2007, kenmerk BZ 7909, JZ/I/70/2007, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2008. Aldaar is appellant in persoon verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote [naam echtgenote]. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1939, is op grond van psychische invaliditeit erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en als zodanig met ingang van 1 augustus 2004 in aanmerking gebracht voor de toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet alsmede enige bijzondere voorzieningen.

1.2. In maart 2007 heeft appellant zich tot verweerster gewend met het verzoek hem in aanmerking te brengen voor een periodieke uitkering op grond van de Wet. Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 29 juni 2007, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat appellant zijn werkzaamheden in 2003 als docent cultuurgeschiedenis niet heeft beëindigd vanwege zijn oorlogsinvaliditeit.

2. De Raad overweegt als volgt.

2.1. Verweerster heeft bij de vraag of appellant op grond van de Wet in aanmerking kan worden gebracht voor een periodieke uitkering, zo begrijpt de Raad uit de gedingstukken en is namens verweerster ter zitting ook bevestigd, uitsluitend bezien of appellant voor het bereiken van de 65 jarige leeftijd werkzaamheden in beroep of bedrijf heeft moeten beëindigen of blijvend verminderen vanwege zijn oorlogsinvaliditeit.

2.2. Op grond van artikel 7, aanhef en onder a, van de Wet heeft recht op een periodieke uitkering het burger-oorlogsslachtoffer dat vóór het bereiken van de leeftijd waarop soortgelijke valide personen in de regel hun werkzaamheden beëindigen, door zijn invaliditeit welke het gevolg is van het letsel, bedoeld in artikel 2, gedwongen werd of wordt zijn werkzaamheden in beroep of bedrijf te beëindigen of blijvend te verminderen, indien en voor zover hij buiten staat is door of in verband met arbeid een inkomen te verwerven, gelijk aan het inkomen, dat hij uit vorenbedoeld beroep of bedrijf zou hebben genoten, indien hij niet invalide zou zijn geweest.

2.3. Bij de toepassing van artikel 7, aanhef en onder a, van de Wet mag verweerster er in het algemeen van uitgaan dat degene die de in het algemeen gebruikelijke pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar heeft bereikt niet meer is aangewezen op inkomsten uit beroep of bedrijf. In navolging van zijn uitspraak gegeven in een soortgelijk geval in het kader van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (CRvB 23 oktober 2002, LJN AF 3477) is de Raad echter van oordeel dat bij aanvragen op grond van de Wet in de situatie dat een betrokkene langer geheel of gedeeltelijk in het arbeidsproces werkzaam blijft, zoals appellant die naast het beroep van part-time freelance docent in het vrije beroep van kunstenaar werkzaam is gebleven, verweerster op grond van de omstandigheden van het concrete geval dient te beoordelen of bij een betrokkene na zijn 65 jarige leeftijd sprake is van een feitelijke inkomstenderving als gevolg van de oorlogsinvaliditeit.

3. In het licht van het voorgaande en mede in aanmerking genomen dat appellant aan de onderhavige aanvraag ten grondslag heeft gelegd een ingaande 2007 ingetreden inkomensterugval vanuit de beroepen (freelance)docent en kunstenaar, komt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit berust op een ondeugdelijke motivering en daarom, wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor vernietiging in aanmerking komt.

4. De Raad acht tot slot termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb verweerster te veroordelen in de proceskosten van appellant, welke worden begroot op

€ 28,06 als door hem gemaakte reiskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt verweerster in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 28,06 te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad;

Bepaalt dat de Pensioen- en Uitkeringsraad aan appellant het door hem betaalde griffierecht van € 35,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 december 2008.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M. van Berlo.

HD