Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG8372

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-12-2008
Datum publicatie
29-12-2008
Zaaknummer
05-7220 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met duurbeperking tot 4 uur per dag en 20 uur per week is voldoende tegemoetgekomen aan het verminderde uithoudingsvermogen van appellant als gevolg van de pijnklachten. Eerst in hoger beroep is een inzichtelijke motivering gegeven voor de geschiktheid van de voorgehouden functies. Vermoeden dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is geschonden: heropening onderzoek. Proceskostenveroordeling. Vergoeding van kosten gemaakt voor medisch advies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/7220 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 14 november 2005, 04/1078 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 december 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.R. Lambooy, rechtshulpverlener te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift met bijlagen ingediend.

Namens appellant zijn bij schrijven van 9 oktober 2007, met bijlagen, de gronden van het beroep aangevuld. Het Uwv heeft hierop bij twee brieven van 7 november 2007, onder verwijzing naar een bijgevoegde verzekeringsgeneeskundige rapportage, gereageerd.

Namens appellant is bij schrijven van 19 oktober 2007 desgevraagd een nadere toelichting gegeven op het door appellant ingediende verzoek tot vergoeding van de proceskosten.

Het Uwv heeft bij brief van 13 november 2007 een aanvullende arbeidskundige rapportage van 12 november 2007 ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2007, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, en waar het Uwv met kennisgeving niet is verschenen.

Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting heeft de Raad het onderzoek heropend.

De door de rechtbank geraadpleegde revalidatie-arts W. Hokken heeft bij schrijven van 21 januari 2008 vragen van de Raad beantwoord, waarop door het Uwv bij brief van

5 februari 2008, met bijlage, en door appellant bij brief van 28 maart 2008, met bijlage, is gereageerd.

De nadere zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2008, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, en waar het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. A.E.M. Kuppens.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, die op 7 oktober 1992 in verband met HNP-klachten is uitgevallen voor zijn werkzaamheden als commercieel technisch medewerker buitendienst voor 40 uur per week, is door het Uwv met ingang van 5 oktober 1993 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Deze uitkering werd laatstelijk uitbetaald naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100%.

2. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is op 24 april 2003 herbeoordeeld. De verzekeringsarts M. Levy concludeerde dat appellant belastbaar te achten was voor werkzaamheden die de rug niet te zwaar belasten. Levy heeft voorts een duurbeperking tot 4 uur per dag en 20 uur per week aangewezen geacht en heeft de beperkingen van appellant vastgelegd in de zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 24 april 2003. De arbeidsdeskundige J.G.M. de Kruif heeft het verlies aan verdiencapaciteit van appellant na functieduiding berekend op 75%. Bij besluit van 9 juli 2003 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant per 2 september 2003 herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 65 tot 80%.

3. Dit besluit is, na bezwaar op 7 augustus 2003, gehandhaafd bij het in beroep bestreden besluit van 17 maart 2004.

4.1. Appellant heeft in beroep onder verwijzing naar een op 23 september 2004 gedateerde rapportage van orthopedisch chirurg P.A.L. Blokzeijl gesteld dat bij hem sprake is van een chronisch pijnsyndroom, het Failed Back Surgery Syndroom (FBSS), waardoor hij zwaarder beperkt is te achten dan door het Uwv is aangenomen en hij niet meer dan 2 uur per dag en 10 uur per week arbeid kan verrichten.

4.2. Op verzoek van de rechtbank heeft de revalidatie-arts drs. W. Hokken bij rapportage 28 juni 2005 van verslag en advies gediend. De revalidatie-arts stemde in met de belastbaarheid van appellant zoals vastgesteld door het Uwv in de FML van 24 april 2003, met uitzondering van de belastbaarheid op de onderdelen 4.21 (klimmen) en 5.6 (gebogen en getordeerd actief zijn). Anders dan het Uwv, achtte Hokken appellant ook op deze onderdelen beperkt. Hokken heeft in zijn rapportage verder aangegeven zich te kunnen vinden in het standpunt van het Uwv dat appellant in staat geacht moest worden 20 uur per week te werken en dat de voorgehouden functies berekend zijn voor de belastbaarheid van appellant.

4.3. Appellant heeft zich niet kunnen vinden in de conclusies van Hokken en heeft onder verwijzing naar een schriftelijke reactie van orthopedisch chirurg Blokzeijl van 28 juli 2005 betoogd dat Hokken onvoldoende rekening gehouden heeft met zijn beperkingen en pijnklachten.

4.4 De rechtbank heeft de deskundige Hokken gevolgd in zijn oordeel en de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Wat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit betreft heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv eerst in beroep een inzichtelijke motivering heeft gegeven voor de geschiktheid van de voorgehouden functies. De rechtbank heeft daarop het beroep van appellant gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De rechtbank heeft tevens een proceskostenveroordeling en een griffierechtvergoeding uitgesproken.

5.1. Appellant heeft in hoger beroep de juistheid van de aangevallen uitspraak betwist voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand zijn gelaten, en heeft daartoe medische en arbeidskundige grieven geformuleerd. Onder verwijzing naar diverse stukken - waaronder een rapportage van revalidatie-arts J.H. Martens van 6 september 2007 - heeft appellant nogmaals gesteld dat hij zwaarder beperkt is te achten dan door het Uwv is aangenomen en dat hij zeker niet meer dan 10 uur per week arbeid kan verrichten. Appellant heeft voorts gesteld dat de rechtbank - voor zover er al reden was om een andere deskundige te raadplegen - gelet op het karakter van zijn klachten een orthopedisch chirurg had dienen te raadplegen voor een expertise en geen revalidatie-arts. Appellant heeft verder betwist dat het Uwv inzichtelijk, toetsbaar en verifieerbaar gemotiveerd heeft waarom de voorgehouden functies berekend zijn voor zijn belastbaarheid.

5.2. Namens appellant is ook gewezen op de lange duur van de procedure en op de spanning en frustratie die appellant hiervan ondervindt. Appellant heeft in dit kader een beroep gedaan op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en heeft de Raad verzocht om met toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te bepalen dat de geleden immateriële schade, die door appellant is berekend op € 4.800,-, dient te worden vergoed.

5.3. Appellant heeft de Raad tot slot verzocht het Uwv te veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep, waarbij appellant gelet op de complexiteit van de zaak verzocht heeft wegingsfactor 2 toe te passen.

6. Bij rapportage van 23 maart 2006 is door het Uwv een nadere toelichting gegeven op de geschiktheid van de voorgehouden functies. De functie medewerker tuinbouw werd niet langer passend geacht voor appellant, waarna de schatting gebaseerd is op de functies medewerker bank, kassier bank (sbc-code: 516070), bankmedewerker (balie) (sbc-code: 516190) en productiemedewerker confectie, kleermaker (sbc-code: 272042). Daar met de overblijvende functies niet was voldaan aan de eis dat een schatting gebaseerd is op (ten minste) 30 arbeidsplaatsen, heeft het Uwv na arbeidskundig onderzoek op 12 november 2007 in het verlengde van de sbc-code 272042 de functie verstelnaaister geduid. De arbeidsongeschiktheidsklasse van 65 tot 80% werd onveranderd van toepassing geacht op appellant.

7.1. Na behandeling van de zaak ter zitting en heropening van het onderzoek, heeft revalidatie-arts Hokken de Raad desgevraagd bij brief van 21 januari 2008 medegedeeld zich te kunnen vinden in de geschiktheid van de voorgehouden functies modinette en verstelnaaister.

7.2. Appellant heeft zich niet kunnen vinden in de visie van Hokken. Onder verwijzing naar een op 22 februari 2008 gedateerde brief van Blokzeijl heeft appellant gesteld dat door de multipele operaties forse verklevingen zijn ontstaan rond de zenuwbanen en de zenuwwortels, welke geleid hebben tot een neuropathische vorm van pijn. Een minimale rek zoals bij buigen en roteren kan volgens appellant de pijn heftig doen provoceren, waardoor deze bewegingen, die voorkomen in de functies modinette en verstelnaaister, nauwelijks uitvoerbaar zijn, ook niet in deeltijd. Appellant heeft tot slot toegelicht dat de door hem voorgestane duurbeperking tot 2 uur per dag en 10 uur per week niet alleen is ingegeven door mechanische pijnklachten maar ook door voornoemde neuropathische pijnklachten.

8. De Raad overweegt als volgt.

8.1. De door rechtbank geraadpleegde revalidatie-arts Hokken heeft zich, zoals onder 4.2 is aangegeven, in grote lijnen kunnen vinden in het door het Uwv ingenomen standpunt ten aanzien van de belastbaarheid van appellant. Hokken constateerde bij het lichamelijk onderzoek een duidelijke discrepantie tussen de vele klachten die appellant presenteerde en de bevindingen bij zijn onderzoek, waarbij door hem slechts milde stoornissen vastgesteld konden worden. Er was naar het oordeel van Hokken sprake van een chronisch pijnsyndroom. Deze conclusie wordt, naar de Raad uit de stukken is gebleken, gedeeld door de orthopedisch chirurg Blokzeijl en de revalidatie-arts Martens, zij het dat Blokzeijl, in vergelijking tot Hokken, appellant zwaarder beperkt acht. De Raad heeft in de stukken echter onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de medische beperkingen van appellant, zoals vastgesteld door het Uwv en aangescherpt bij rapportage van 28 juni 2005 door Hokken, onjuist zijn te achten. Blijkens zijn rapportage heeft Blokzeijl, evenals Hokken en verzekeringsarts Levy, slechts geringe beperkingen qua flexie, lateroflexie en rotatie van de lumbale wervelkolom vast kunnen stellen. De Raad acht verder genoegzaam aangetoond dat met de duurbeperking tot 4 uur per dag en 20 uur per week voldoende wordt tegemoetgekomen aan het verminderde uithoudingsvermogen van appellant als gevolg van de pijnklachten. De door Blokzeijl voorgestane duurbeperking tot 10 uur per week, welke mede is ingegeven door de neuropathische pijnklachten van appellant, vindt naar het oordeel van de Raad onvoldoende onderbouwing in het door appellant bij verzekeringsarts Levy en ter hoorzitting gepresenteerde dagverhaal en in de ernst van de beperkingen van appellant zoals vastgesteld bij de verschillende onderzoeken. De Raad acht tot slot de door de rechtbank gemaakte keuze om een revalidatie-arts als deskundige te raadplegen niet onjuist, omdat deze arts vanuit zijn vakgebied kennis heeft van orthopedische problematiek. Zoals uit het hiervoor overwogene mag blijken, komt het de Raad tevens niet onjuist voor dat de rechtbank Hokken, wiens rapport zorgvuldig, consistent en naar behoren is gemotiveerd, gevolgd heeft in zijn oordeel.

8.2. Wat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit betreft, overweegt de Raad dat hem uit de door het Uwv bij rapportage van 23 maart 2006 en 12 november 2007 en de door Hokken bij brief van 21 januari 2008 gegeven nadere toelichting genoegzaam gebleken is dat de voorgehouden functies berekend zijn voor de belastbaarheid van appellant. De Raad stelt wel vast dat het Uwv eerst in hoger beroep een inzichtelijke motivering heeft gegeven voor de geschiktheid van de voorgehouden functies.

8.3. Uit het onder 8.1 en 8.2 overwogene volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover deze door appellant is aangevochten, moet worden bevestigd.

8.4.1. De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant.

8.4.2. Vanaf de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift van appellant op 8 augustus 2003 tot de datum van deze uitspraak zijn ruim vijf jaar verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv iets meer dan zeven maanden geduurd, heeft de behandeling van het beroep bij de rechtbank vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 19 april 2004 tot de uitspraak op 14 november 2005 één jaar en zeven maanden geduurd, en heeft de behandeling van het hoger beroep door de Raad vanaf de ontvangst van het hoger beroepschrift op 16 december 2005 tot deze uitspraak op 24 december 2008, iets meer dan drie jaar geduurd. Aan deze vaststelling kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is geschonden.

8.4.3. De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure, voor zover nodig met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Awb, moet worden beslist omtrent appellants verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad daarbij naast het Uwv de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure.

8.5. Uit hetgeen onder 8.2 is overwogen vloeit voort dat er aanleiding is om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten die appellant in hoger beroep heeft moeten maken en tot betaling aan appellant van het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht.

8.5.1. Ten aanzien van het verzoek van appellant om in het kader van de proceskosten-veroordeling wegingsfactor 2 toe te passen, is de Raad, anders dan appellant, niet van oordeel dat het onderhavige geding dermate complex of principieel van karakter is dat de waardering 'zeer zwaar' gerechtvaardigd is. De Raad waardeert het gewicht van de zaak als gemiddeld, zodat wegingsfactor 1 van toepassing is. De Raad begroot met inachtneming van het voorgaande de kosten voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep op € 966,-.

8.5.2. Met betrekking tot het verzoek van appellant om gemaakte kosten voor het inwinnen van medisch advies te vergoeden, stelt de Raad vast dat van de nota’s waarvan appellant om vergoeding heeft verzocht, er slechts twee betrekking hebben op ingewonnen medisch advies tijdens de procedure in hoger beroep en dat slechts één van de twee nota’s betrekking heeft op de rapportage van Blokzeijl, en de ander betrekking heeft op een niet aan de Raad overgelegde rapportage. Die nota, van Blokzeijl, heeft betrekking op een op 22 februari 2008 uitgebrachte rapportage en maakt wat de urenspecificatie betreft een onderscheid tussen gemaakte uren (en kosten) voor het onderzoek door Blokzeijl (3 uur) en voor de secretariële ondersteuning (0,5 uur). Voor zover de nota betrekking heeft op de secretariële ondersteuning, komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking. Nu appellant geen grieven heeft aangevoerd tegen de beslissing van de rechtbank om uitsluitend de gemaakte kosten voor verleende rechtsbijstand in beroep te vergoeden en niet de door appellant in beroep gemaakte kosten voor het inwinnen van medisch advies, ziet de Raad geen grond om deze kosten te vergoeden. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onder b van het Besluit proceskosten bestuursrecht en het Besluit Tarieven in Strafzaken begroot de Raad de voor vergoeding in aanmerking komende kosten gemaakt voor medisch advies op 3 uur à € 81,23 = € 243,69.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 1209,69, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het onderzoek wordt heropend onder de nummers 08/7135 en 08/7134 ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent de gevraagde schadevergoeding in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt tevens de Staat der Nederlanden (minister van Justitie) aan als partij in die procedure;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 103,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en J. Riphagen en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 december 2008.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

MH