Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG8347

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2008
Datum publicatie
30-12-2008
Zaaknummer
07-2596 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. Geen aanknopingspunten in objectief-medische zin op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat appellant ten tijde van de datum in geding meer beperkt was dan het Uwv heeft vastgesteld. Genoegzaam toegelicht waarom de voorgehouden functies als voor appellant medisch geschikt kunnen worden beschouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2596 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 26 maart 2007, 06/4834 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 december 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P. Verbraaken, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Op 20 november 2007 heeft appellant nog aanvullende gronden en medische stukken ingediend. Namens het Uwv heeft bezwaarverzekeringsarts M. Keus op 13 december 2007 hierop een reactie gegeven.

Op 20 oktober 2008 heeft appellant wederom medische stukken in het geding gebracht. Hierop is namens het Uwv op 27 oktober 2008 een reactie gekomen van bezwaarverzekeringsarts M. Keus.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2008. Namens appellant is verschenen zijn gemachtigde mr. Verbraaken. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. de Bluts-Alsemgeest.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als agrarisch medewerker rozenteelt toen hij op 20 oktober 1997 uitviel met rug- en beenklachten. De rechtsvoorganger van het Uwv heeft aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. De verzekeringsarts N.L. van Luntesburg heeft op 31 oktober 2005 gerapporteerd. In het rapport van dit onderzoek zijn onder andere de rug- en beenklachten beschreven, alsmede het resultaat van het lichamelijk onderzoek en de psychiatrische observatie. Van Luntesburg heeft in verband met een vastgestelde verminderde rugbelasting de mogelijkheden en beperkingen van appellant vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 31 oktober 2005. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige R.J.M. van Staalduine-Bekema blijkens een rapport van 19 december 2005 na functieduiding het verlies aan verdienvermogen berekend op 14,34%. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 10 januari 2006 met ingang van 10 maart 2006 de WAO-uitkering ingetrokken.

2. In de bezwaarprocedure heeft bezwaarverzekeringsarts M. Keus - na informatie te hebben opgevraagd bij huisarts F.S.R. Balak - op 11 april 2006 gerapporteerd. Keus heeft de beschikbare medische gegevens, waaronder de verkregen informatie van de huisarts, gewogen en geen aanleiding gezien af te wijken van het medisch oordeel van verzekeringsarts Van Luntjesburg. De bezwaararbeidsdeskundige R.J.C. Hogeveen heeft naar aanleiding van het door hem gewijzigde maatloon opnieuw het verlies aan verdienvermogen berekend en vastgesteld op 15,1%. Vervolgens verklaarde het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 januari 2006 bij zijn besluit van 3 mei 2006 gegrond en heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 10 maart 2006 bepaald op 15 tot 25%.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 3 mei 2006 (hierna: het bestreden besluit) gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven en beslissingen gegeven omtrent proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft de medische beoordeling onderschreven. Voor wat betreft het arbeidskundige aspect heeft de rechtbank naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 12 oktober 2006 (LJN AY9980) geconstateerd dat in de beroepsfase de vereiste nadere motivering met betrekking tot de met een “M” of “G” gemarkeerde items is gegeven. Op grond hiervan heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd. Nu in beroep afdoende is gemotiveerd waarom appellant de geduide functies kan verrichten, bestaat er naar het oordeel van de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

4. In hoger beroep heeft appellant onder andere aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn ernstige beperkingen en dat de geduide functies te belastend voor hem zijn ondanks dat bij het duiden van deze functies rekening is gehouden met een beperkte belastbaarheid van de rug. Voorts voert appellant aan dat hij al jaren bekend is met polsklachten en overlegt hij medische informatie met betrekking tot zijn pols. Ten slotte geeft appellant per functie aan op welke punten hij in verband met de polsklachten beperkt is te achten.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. De Raad heeft geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. De Raad is, net als de rechtbank, van oordeel dat de beperkingen van appellant door een zorgvuldig medisch onderzoek zijn vastgesteld. De verzekeringsarts die op 31 oktober 2005 het primaire medische onderzoek heeft verricht, heeft appellant beperkt geacht ten aanzien van met name rugklachten. De FML bevat beperkingen ten aanzien van de rubrieken aanpassing aan fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen. Bezwaarverzekeringsarts M. Keus heeft op 11 april 2006 gerapporteerd en hij onderschreef het oordeel van de verzekeringsarts. Van aanknopingspunten in objectief-medische zin op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat appellant ten tijde van de datum in geding meer beperkt was dan het Uwv heeft vastgesteld, is de Raad - evenals de rechtbank - niet gebleken. De Raad tekent daarbij aan dat Keus naar aanleiding van de ingebrachte informatie in hoger beroep omtrent de polsklachten op 13 december 2007 heeft aangegeven dat bij het onderzoek van de verzekeringsarts geen afwijkingen aan de handen en polsen zijn geobjectiveerd, dat de neuroloog op 3 juli 2007 sprak van een licht carpaal tunnel syndroom links, dat de reumatoloog in oktober 2007 geen reumatoïde artritis/gewrichtsontsteking en wel een normale vuistfunctie vaststelde. Gezien deze vaststellingen acht de Raad het met Keus in diens rapport van 27 oktober 2008 niet onaannemelijk dat de operatie aan het carpaal tunnelsyndroom van 23 oktober 2008 verband houdt met eerst ruim na de datum in geding toegenomen klachten. Gelet op een en ander heeft de rechtbank terecht de medische onderbouwing van het bestreden besluit onderschreven.

5.3. Wat betreft de arbeidskundige beoordeling is de Raad met de rechtbank van oordeel dat appellant, gelet op de voor hem vastgestelde beperkingen, op de datum in geding in staat geacht moet worden tot het uitoefenen van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies van sorteerder, controleur (sbc-code 111340), vleeswarenmaker, slachter en visverwerker (sbc-code 271070) en machinaal metaalbewerker (sbc-code 264122). Voorts overweegt de Raad dat door

bezwaararbeidsdeskundige Hogeveen, in beroep, genoegzaam is toegelicht waarom deze functies als voor appellant medisch geschikt kunnen worden beschouwd.

5.4. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheidvan T.J. van der Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 december 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) T.J. van der Torn.

GdJ