Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG8336

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2008
Datum publicatie
24-12-2008
Zaaknummer
07-2197 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking (volledige) WAO-uitkering. Beperkingen zijn door middel van een zorgvuldig medisch onderzoek vastgesteld.

Het schrijven van de psychiater bevat geen nieuwe medische feiten of informatie waarmee bij het vaststellen van de belastbaarheid ten onrechte geen rekening is gehouden. Geen objectief-medisch aanknopingspunt voor het aannemen van urenbeperkingen. Geen aanleiding om een deskundige te benoemen. Passende functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2197 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 23 maart 2007, 06/1633 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 19 december 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C. Cornelisse, advocaat te Apeldoorn, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2008. Appellant is - met voorafgaand bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van Dalfsen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als productiemedewerker toen hij op 17 maart 1988 uitviel in verband met hoofdpijn, pijn op de borst, en vermoeidheid. Appellant klaagde er tevens over dat hij slecht sliep en slecht at. De diagnose was neurotische depressie met agressie disregulatie. In aansluiting op de wettelijke wachttijd is aan appellant een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In het kader van een wettelijke herbeoordeling heeft de verzekeringsarts I.A.F.M. Voûte-van der Werff appellant op 5 december 2005 onderzocht. In het rapport van dit onderzoek zijn de psychische klachten van appellant beschreven. Voûte-van der Werff heeft de mogelijkheden en beperkingen van appellant vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 5 december 2005. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige J.H.A. Oosterwegel in een rapport van 25 januari 2006 na functieduiding het verlies aan verdienvermogen berekend op 2%. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 30 januari 2006 de WAO-uitkering van appellant met ingang van 31 maart 2006 ingetrokken.

1.3. In de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts A. Laros gerapporteerd en heeft hij na weging van het verhandelde ter hoorzitting en na telefonisch overleg met appellants huisarts in zijn rapport van 14 juni 2006 aangegeven dat er geen aanleiding is om meer beperkingen aan te nemen dan in de FML neergelegd. Vervolgens verklaarde het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 30 januari 2006 bij zijn besluit van 19 juni 2006 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond.

2.1. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten.

2.2. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat zij de medische grondslag van het bestreden besluit kon onderschrijven en dat het Uwv terecht geen medische urenbeperking noodzakelijk heeft geacht.

2.3. Ook met de arbeidsdeskundige grondslag van het besluit kon de rechtbank zich verenigen, zij het dat zij van oordeel was dat de vereiste toelichting bij de aan de schatting ten grondslag liggende functies eerst in beroep, en derhalve te laat, is gegeven.

3.1. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant in essentie dezelfde grieven naar voren gebracht als in eerste aanleg. Wederom is gewezen op de in beroep overgelegde brief van behandelend psychiater F. Kaya van 29 januari 2007. Gelet op de in die brief door Kaya neergelegde informatie had de rechtbank volgens appellant dienen te concluderen dat ten onrechte geen urenbeperking is aangenomen. Appellant heeft aangevoerd dat met zijn vermoeidheidsklachten, welke ook kunnen zijn veroorzaakt door zijn lichamelijke situatie, niet danwel onvoldoende, rekening is gehouden.

Appellant heeft de Raad verzocht een deskundige aan te wijzen die nader kan rapporteren over zijn gezondheidssituatie en de bij hem bestaande beperkingen per de in geding zijnde datum.

3.2. De Raad heeft geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank en is, evenals de rechtbank, van oordeel dat de beperkingen van appellant door middel van een zorgvuldig medisch onderzoek zijn vastgesteld. De Raad onderschrijft de reactie van bezwaarverzekeringsarts Laros op de in beroep overgelegde informatie van de behandelend psychiater Kaya. Terecht heeft deze arts gesteld dat het schrijven van Kaya geen nieuwe medische feiten of informatie bevat waarmee bij het vaststellen van de belastbaarheid ten onrechte geen rekening is gehouden. De Raad heeft ook overigens in de stukken niet enig objectief-medisch aanknopingspunt gevonden om appellant te kunnen volgen in zijn opvatting dat hij niet in staat is 40 uur per week te werken. De Raad stelt zich in dit verband achter de reactie van Laros van 2 februari 2007 waarin deze arts aangeeft dat het de professionele deskundigheid van een verzekeringsarts is om een uitspraak te doen over de belastbaarheid.

3.3. In het vorenstaande ligt besloten dat de Raad geen aanleiding ziet om het verzoek van appellant tot benoeming van een deskundige te honoreren.

3.4. De Raad acht - evenals de rechtbank - de passendheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies afdoende toegelicht met het rapport van de arbeidsdeskundige P. Schipper van 13 januari 2007.

3.5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen.

4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 december 2008.

(get.) J. Brand.

(get.) A. de Gier.

KR