Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG8066

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2008
Datum publicatie
23-12-2008
Zaaknummer
06-440 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep Uwv. Na de (eerste) uitspraak van de rechtbank, waarin beide partijen hebben berust, bestond er voor de rechtbank ondanks het daarna herhaaldelijk daarop aandringen van betrokkene, dan ook geen ruimte meer om nader te oordelen dat appellant het nieuwe besluit op bezwaar niet op zorgvuldige wijze heeft voorbereid door niet bij de podo-orthesioloog medische gegevens te hebben opgevraagd alvorens dat besluit te nemen. Terugwijzen naar de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/440 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 december 2005, 05/2096 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 19 december 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2008. Voor appellant is verschenen mr. H. van Wijngaarden. Betrokkene is in persoon verschenen en werd bijgestaan door mr. A.J.C. van Bemmel, advocaat te Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Betrokkene was gedurende 20 uur per week werkzaam als kapster toen zij op 31 mei 1999 met rugklachten volledig is uitgevallen voor haar werk. Aan haar is per 29 mei 2000 op medische gronden een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer toegekend.

2. Bij besluit van 17 juni 2002 heeft appellant die WAO-uitkering per 12 augustus 2002 ingetrokken onder overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is gaan bedragen.

3. Bij besluit van 26 augustus 2003 heeft appellant de bezwaren van betrokkene tegen dat primaire besluit ongegrond verklaard.

4.1. In beroep tegen dat besluit op bezwaar heeft betrokkene onder meer ingebracht een van 22 september 2003 daterende brief van de arts drs. V. van Pelt, tevens podo-orthesioloog bij het Postureel Medisch Centrum te Schiedam, bij wie zij in april 2003 in behandeling was gekomen, stellende dat diens bevindingen onvoldoende zijn verdisconteerd in de medische (lees: verzekeringsgeneeskundige) rapportages.

4.2. Bij uitspraak van 7 juli 2004 heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen dat besluit op bezwaar gegrond verklaard en dat besluit vernietigd op de volgende gronden:

1e. Het door de (bezwaar)verzekeringsarts verrichte medisch onderzoek is niet volledig geweest, aangezien ten onrechte is nagelaten nadere informatie in te winnen bij het Spine & Joint Centre (hierna: S&JC), waarnaar betrokkene op 24 juli 2001 door de anesthesioloog R.J. Quist is verwezen. Uit de door betrokkene bij haar beroepschrift overgelegde brief van het S&JC blijkt dat bij betrokkene na behandeling sprake is van een lichte verbetering. Hieruit volgt dat de gezondheidssituatie van betrokkene bij aanvang van de behandeling slechter was. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden uitgesloten dat de (bezwaar)verzekeringsarts bij de vaststelling van de beperkingen van betrokkene een te rooskleurig beeld van haar mogelijkheden heeft gehad.

2e. Uit de door appellant gebruikte verzekeringsgeneeskundige rapportages blijkt niet welke informatie door de verzekeringsarts in zijn beoordeling is meegenomen. Nu uit de stukken evenmin eenduidig blijkt welke informatie aan de rapportage van de primaire verzekeringsarts ten grondslag heeft gelegen, had dit rapport niet zonder meer door appellant aan zijn besluit ten grondslag mogen worden gelegd.

4.3. Onder overweging dat, aangezien dat besluit op bezwaar reeds wordt vernietigd op die beide gronden, de overige grieven van betrokkene geen (verdere) bespreking behoeven, heeft de rechtbank nog het een en ander bepaald over het opnieuw nemen van een besluit op bezwaar, griffierecht en proceskosten.

4.4. Zowel appellant als betrokkene heeft in die uitspraak berust.

5. Appellant heeft gegevens opgevraagd bij alsook verkregen van het S&JC en de bezwaarverzekeringsarts heeft mede op basis van die gegevens op 14 februari 2005 rapport uitgebracht. Betrokkene heeft op dat rapport gereageerd bij brief van 1 maart 2005 waarin zij erop heeft aangedrongen ook bij Van Pelt navraag te doen over haar medische situatie, behandelingen en mogelijkheden. De bezwaarverzekeringsarts heeft op 14 maart 2005 rapport uitgebracht met als conclusie dat er buiten het feit dat betrokkene in de eerdere onderzoeken en rond de datum in geding (12 augustus 2002) niet onder behandeling van een podo-orthesioloog was, geen indicatie is om bij Van Pelt aanvullende gegevens op te vragen. Op 7 april 2005 heeft een hoorzitting plaatsgevonden in het kader waarvan betrokkene wederom heeft aangedrongen op het opvragen van gegevens bij Van Pelt en heeft de bezwaarverzekeringsarts rapport uitgebracht met als conclusie dat er geen medische argumenten zijn om af te wijken van het primaire medische oordeel. Vervolgens heeft appellant bij nieuw besluit op bezwaar van 8 april 2005 de bezwaren van betrokkene wederom ongegrond verklaard.

6.1. In beroep tegen het nieuwe besluit op bezwaar van 8 april 2005 heeft betrokkene bij de rechtbank onder meer als grief aangevoerd dat vanwege appellant ten onrechte geen gegevens bij Van Pelt zijn opgevraagd.

6.2.1. Bij de thans aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het nieuwe besluit op bezwaar vernietigd alsook het een en ander bepaald over het opnieuw nemen van een besluit op bezwaar, griffierecht en proceskosten.

6.2.2. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.

Indien de gegevens van het S&JC en de brief van Van Pelt van 22 september 2003 in onderlinge samenhang worden bezien, kan niet worden gezegd dat er geen indicatie is om aanvullende informatie op te vragen. Om de situatie op de datum in geding (12 augustus 2002) adequaat te kunnen beoordelen, had het inwinnen van inlichtingen bij de podo-orthesioloog niet achterwege mogen blijven. Daaraan vermag niet af te doen dat betrokkene op die datum niet bij Van Pelt onder behandeling was. Gelet op de evenvermelde brief van Van Pelt mocht in dit geval niet op voorhand worden uitgesloten dat de podo-orthesioloog relevante informatie over de gezondheidssituatie van betrokkene per de datum in geding naar voren zou kunnen brengen. Daar bij Van Pelt geen informatie is opgevraagd, is het besluit op bezwaar van 8 april 2005 niet op zorgvuldige wijze voorbereid, zodat het beroep gegrond is en dat besluit wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb dient te worden vernietigd. De overige bezwaren van betrokkene kunnen daarom onbesproken blijven, aldus tot slot de rechtbank.

7.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd primair dat het niet relevant kan worden geacht informatie op te vragen bij de podo-orthesioloog bij wie betrokkene eerst 10 maanden na de datum in geding onder behandeling is gekomen. Bovendien heeft de podo-orthesioloog reeds aangegeven dat (en waardoor) betrokkene in de achterliggende periode verminderd capabel is geweest. De voorhanden informatie van de podo-orthesioloog verandert niets aan de belastbaarheid per de datum in geding.

7.2. Subsidiair heeft appellant aangevoerd dat de vraag welke de rechtbank zich ook had behoren te stellen, is wat een podo-orthesioloog nu eigenlijk is; in dat kader hebben partijen over en weer hun mening gegeven.

8.1. De Raad volgt de rechtbank niet en heeft daartoe het volgende in aanmerking genomen.

8.2. Ten tijde van haar (eerste) uitspraak van 7 juli 2004 had de rechtbank de beschikking over de door betrokkene bij haar aanvullende beroepschrift van 24 oktober 2003 ingebrachte brief van Van Pelt van 22 september 2003. Daarin heeft Van Pelt onder meer vermeld dat betrokkene hem (lees: voor het eerst) in april 2003 heeft geconsulteerd in verband met haar rugklachten en dat betrokkene in de achterliggende periode zijns inziens ernstig verminderd capabel is geweest om diverse werkzaamheden te verrichten. De rechtbank heeft die brief noch diverse andere door betrokkene overgelegde brieven van medici met zoveel woorden in die uitspraak aangehaald (“… medische informatie overgelegd, waaronder een brief van het Spine & Joint Centre van 28 november 2002, waaruit blijkt …”), maar uit de toen door de rechtbank gehanteerde (hiervoor in 4.2 vermelde) redenen om over te gaan tot vernietiging van het besluit op bezwaar van 26 augustus 2003 kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat de rechtbank wat de medische kant van de zaak betreft geen aanleiding zag om van appellant te verlangen dat het alsnog inlichtingen bij Van Pelt zou inwinnen. De overweging van de rechtbank dat de overige grieven van betrokkene geen verdere bespreking behoeven, omdat het besluit op bezwaar reeds op de aangegeven gronden wordt vernietigd, ziet op de overige door betrokkene aangevoerde, niet medische kwesties zoals van de overschrijding van de beslistermijn, de bevoegdheid van de arbeidsdeskundige in opleiding, de geschiktheid van de geduide functies, de urenomvang van de geduide functies en het aantal arbeidsplaatsen per geduide functie. Aangezien betrokkene eerst in april 2003 bij Van Pelt in behandeling was gekomen en de door Van Pelt in zijn brief van 22 september 2003 gegeven zienswijze over de (on-)mogelijkheden van betrokkene “in de achterliggende periode” niet vergezeld ging van op die periode betrekking hebbende objectieve medische gegevens, lag het ook niet in de rede om van appellant te verlangen dat hij alsnog bij Van Pelt medische gegevens zou opvragen. Aangezien betrokkene op 24 juli 2001, dus (ruim) vóór de datum in geding (12 augustus 2002), naar het S&JC was verwezen, is begrijpelijk dat de rechtbank het door appellant niet hebben opgevraagd bij het S&JC van de daar over betrokkene voorhanden medische gegevens, wèl als een onoverkomelijk gemis heeft gezien.

8.3. Na de (eerste) uitspraak van de rechtbank van 7 juli 2004, waarin beide partijen hebben berust, bestond er voor de rechtbank ondanks het daarna herhaaldelijk daarop aandringen van betrokkene, dan ook geen ruimte meer om nader te oordelen dat appellant het nieuwe besluit op bezwaar van 8 april 2005 niet op zorgvuldige wijze heeft voorbereid door niet bij Van Pelt medische gegevens te hebben opgevraagd alvorens dat besluit te nemen.

9. Gelet op het vorenstaande slaagt het door appellant ingestelde hoger beroep reeds op de als primair aangevoerde grond, zodat de Raad niet toekomt aan de als subsidiair aangevoerde grond. De Raad zal dan ook de aangevallen uitspraak vernietigen. De Raad ziet in dit geval evenwel, ondanks het tijdsverloop, onvoldoende aanleiding en mogelijkheden om door zelf in de zaak te voorzien het geschil finaal te beslechten en zal dan ook met toepassing van artikel 26, eerste lid, van de Beroepswet de zaak ter (verdere) behandeling terugwijzen naar de rechtbank. De Raad zal geen termijn stellen in de verwachting dat de rechtbank op korte termijn tot een uitspraak zal komen.

10. De Raad acht termen aanwezig om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 644,-- voor aan haar in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Wijst de zaak ter (verdere) behandeling terug naar de rechtbank Rotterdam;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 644,-- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 december 2008.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) A.C. Palmboom.

KR