Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG8053

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2008
Datum publicatie
23-12-2008
Zaaknummer
06-2818 WAO + 08-1788 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Nader besluit tijdens hoger beroep: nieuwe FML: wijziging theoretische verdiencapaciteit als gevolg van tussentijdse herenquêtering van de functies. Opleidingsniveau. Met de rapporten is voldoende inzichtelijk gemaakt dat de geduide functies binnen de vastgestelde belastbaarheid van appellante blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2818 WAO

08/1788 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 31 maart 2006, 05/3840 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 december 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.K. Jansen, werkzaam bij De Groot Heupner BV, gevestigd te Wijchen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Naar aanleiding van een vraag van de Raad omtrent de motivering van de geduide functies, heeft het Uwv een gewijzigde beslissing op bezwaar van 13 maart 2008 ingediend alsmede het daaraan ten grondslag gelegde rapport van bezwaararbeidsdeskundige M.N.J. Kollaard van 27 februari 2008 met bijlagen.

Bij brief van 29 april 2008 zijn namens appellante nadere hoger beroepsgronden aangevoerd tegen het besluit van 13 maart 2008.

Het Uwv heeft hierop per faxbrief van 20 mei 2008 een reactie gegeven en verwezen naar het als bijlage ingediende rapport van bezwaararbeidsdeskundige Kollaard van

16 mei 2008.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2008. Voor appellante is verschenen L.A.M. de Groot Heupner, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.M.J. Eijmael.

Teneinde de opvolgend gemachtigde van appellante, de heer De Groot Heupner, de gelegenheid te bieden een schriftelijke reactie te geven op de brief van het Uwv van 20 mei 2008 en het arbeidskundige rapport van 16 mei 2008, heeft de Raad het vooronderzoek heropend.

De opvolgend gemachtigde van appellante heeft op 23 juni 2008 een aanvullende reactie gegeven.

Het Uwv heeft hierop een nader rapport van bezwaararbeidsdeskundige Kollaard van 13 augustus 2008 ingediend, waarop namens appellante op 20 oktober 2008 is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft andermaal plaatsgevonden op 6 november 2008. Voor appellante is verschenen mr. G.H. de Haan, kantoorgenoot van De Groot Heupner. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.A.H. Smithuysen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is op 30 september 1998 wegens psychische klachten uitgevallen voor haar werk als administratief medewerkster voor 38 uur per week. Na afloop van de wettelijke wachttijd is aan appellante met ingang van 29 september 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In het kader van een herbeoordeling is appellante op 19 oktober 2004 onderzocht door verzekeringsarts M.S.G. Fouad. In zijn rapport van dezelfde datum heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat de beperkingen die in het expertise-rapport van gezondheidspsychologen J.H. Poelstra en W.H.J. Lancée van 29 september 2000 - opgesteld in verband met een eerdere beoordeling - bij appellante aanwezig werden geacht, nog van toepassing zijn. Appellante wordt in staat geacht tot niet stresserende arbeid voor hele dagen zonder hoge werkdruk, zonder veelvuldige storingen en veelvuldige deadlines, zonder conflicten en zonder omgang met emotionele problemen van anderen. De verzekeringsarts heeft de beperkingen van appellante weergegeven in een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 7 december 2004. De arbeidsdeskundige T.L.M. van der Hulst heeft in zijn rapport van 17 december 2004 geconcludeerd dat het verlies aan verdienvermogen van appellante op grond van de geduide functies 33,7% bedraagt. Bij besluit van 20 december 2004 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 18 februari 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.3. In de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts W. Ruitenberg in zijn rapport van 13 mei 2005 de beschikbare gegevens gewogen en geen aanleiding gezien om af te wijken van de FML. De bezwaararbeidsdeskundige A.H.T. Tee heeft in zijn rapport van 1 juni 2005 geconcludeerd dat de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, onveranderd geschikt zijn te achten. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 30 juni 2005 het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 december 2004 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 30 juni 2005 (hierna: bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft - kort gezegd - de medische en de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

3. In hoger beroep heeft appellante - onder verwijzing naar hetgeen in bezwaar en beroep is aangevoerd -, zich op het standpunt gesteld dat het medisch onderzoek onvolledig is geweest en dat met haar medische beperkingen onvoldoende rekening is gehouden. Appellante acht zich niet in staat de geduide functies te verrichten, gelet op haar opleidingsniveau en haar medische beperkingen.

4. De Raad is van oordeel dat de beperkingen van appellante door een zorgvuldig medisch onderzoek zijn vastgesteld. De verzekeringsarts heeft bij zijn onderzoek het eerder opgestelde expertise-rapport van gezondheidspsychologen Poelstra en Lancée van 29 september 2000 betrokken. De verzekeringsarts heeft bij zijn onderzoek vastgesteld dat de beperkingen zoals die in het expertise-rapport aanwezig zijn geacht, nog steeds aanwezig zijn. De bezwaarverzekeringsarts heeft na dossieronderzoek de FML van 7 december 2004 onderschreven. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe medische gegevens overgelegd en geen argumenten aangedragen die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht de medische onderbouwing van bestreden besluit 1 onderschreven.

5. Bij het besluit van 13 maart 2008 (hierna: bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellante gegrond verklaard en haar WAO-uitkering met ingang van 18 februari 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Blijkens het aan bestreden besluit 2 ten grondslag gelegde rapport van bezwaararbeidsdeskundige Kollaard, mede ondertekend door bezwaarverzekeringsarts W. Ruitenberg, van 27 februari 2008, zijn de beperkingen uit de FML van 7 december 2004 opnieuw weergegeven in een FML van 18 februari 2008. In zijn rapport heeft Kollaard geconcludeerd dat de theoretische verdiencapaciteit is gewijzigd als gevolg van tussentijdse herenquêtering van de functies, waardoor het verlies aan verdienvermogen uitkomt op 37,06%. Dit betekent dat het Uwv in bestreden besluit 2 te kennen heeft gegeven de in het bestreden besluit 1 neergelegde arbeidskundige grondslag van de schatting niet te handhaven. Gelet hierop dient, met vernietiging van de aangevallen uitspraak, het beroep tegen bestreden besluit 1 alsnog gegrond te worden verklaard.

6. Appellante heeft naar aanleiding van bestreden besluit 2 opnieuw verwezen naar de bezwaar- en beroepsgronden. Ten aanzien van de medische grondslag heeft appellante verder gesteld dat toetsing van de beperkingen onvoldoende mogelijk is omdat het Uwv niet de FML van 18 februari 2008, maar alleen een kritische FML (kFML) van 18 februari 2008 heeft overgelegd. Voorts heeft appellante aangevoerd dat zij niet beschikt over een VMBO-opleidingsniveau. Verder is onvoldoende toegelicht dat de belasting op de aspecten ‘inzicht in eigen kunnen’ (1.9.4 in de FML) en ‘eigen gevoelens uiten’ (2.7.1) in de functie chauffeur bijzonder vervoer binnen de vastgestelde belastbaarheid blijft. Ook is het aspect ‘tillen’ (4.14.0/4.15.0/4.16.0) in de functies wikkelaar, chauffeur bijzonder vervoer en inpakker onvoldoende toegelicht. Gelet hierop is met bestreden besluit 2 niet geheel tegemoet gekomen aan het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1. Hieruit vloeit voort dat de Raad bestreden besluit 2, met overeenkomstige toepassing in hoger beroep van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in de procedure dient te betrekken. Dit betekent dat het beroep tegen bestreden besluit 1 geacht wordt mede te zijn gericht tegen bestreden besluit 2.

7.1. Ten aanzien van de medische grondslag van bestreden besluit 2 overweegt de Raad als volgt. Blijkens het rapport van bezwaararbeidsdeskundige Kollaard van

27 februari 2008 zijn de beperkingen uit de FML van 7 december 2004 opnieuw weergegeven in de FML van 18 februari 2008 teneinde de geduide functies opnieuw in het CBBS te kunnen raadplegen. Niet is gebleken dat na het onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts van 19 oktober 2004 en 13 mei 2005 een nieuw medisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Voorts waren er op de FML van 7 december 2004 geen beperkende toelichtingen vermeld. De Raad ziet dan ook geen aanleiding om aan te nemen dat de kFML van 18 februari 2008 geen volledige weergave bevat van de bij appellante per de datum in geding aanwezig geachte beperkingen. Gelet op de kFML van 18 februari 2008 en het rapport van bezwaararbeidsdeskundige Kollaard van 27 februari 2008 concludeert de Raad dat bij bestreden besluit 2 de medische grondslag niet is gewijzigd. De Raad verwijst in dit verband derhalve naar haar oordeel onder punt 4.

7.2.1. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van bestreden besluit 2 overweegt de Raad als volgt. De schatting berust thans op de functies wikkelaar (sbc-code 267050), chauffeur bijzonder vervoer (sbc-code 282101) en inpakker (sbc-code 111190). Naar aanleiding van het standpunt van appellante dat zij niet beschikt over het vereiste VMBO-opleidingsniveau omdat zij 2 jaar ULO - in plaats van MULO -, heeft gevolgd, heeft het Uwv bij brief van 20 mei 2008 en in het rapport van bezwaararbeidsdeskundige Kollaard van 13 augustus 2008 de vaststelling van het opleidingsniveau toegelicht. De Raad stelt vast dat van de geduide functies alleen de functie inpakker met functienummer 3731-0001-006 (2 arbeidsplaatsen) een VMBO-niveau beroepsgerichte leerweg vereist. De andere geduide functies vereisen een lager opleidingsniveau. De Raad is van oordeel dat met name in het arbeidskundige rapport van 13 augustus 2008 voldoende is onderbouwd dat appellante beschikt over een VMBO-opleidingsniveau, mede gelet op de kennis en ervaring die zij heeft opgedaan gedurende haar arbeidsverleden van dertig jaar, laatstelijk in de functie van administratief medewerkster waarin zij diverse boekhoudkundige werkzaamheden verrichtte. Het standpunt van appellante dat haar werkervaring niet tot een hoger opleidingsniveau heeft geleid, volgt de Raad derhalve niet.

7.2.2. De Raad stelt vast dat in het rapport van bezwaararbeidsdeskundige Kollaard van 27 februari 2008 een toelichting is gegeven op de belasting in de geduide functies. Nadien zijn naar aanleiding van de beroepsgronden van appellante door het Uwv nog twee rapporten van bezwaararbeidsdeskundige Kollaard, van 16 mei 2008 en van 13 augustus 2008, overgelegd. De Raad is van oordeel dat met de rapporten van 27 februari 2008, 16 mei 2008 en 13 augustus 2008 voldoende inzichtelijk is gemaakt dat de geduide functies binnen de vastgestelde belastbaarheid van appellante blijven. Ten aanzien van de functie chauffeur bijzonder vervoer is door de bezwaararbeidsdeskundige terecht opgemerkt dat appellante - hoewel zij beperkt is voor het aspect eigen gevoelens uiten (2.7.1) -, niet beperkt is voor klantencontacten, zodat dit aspect van de functie geen overschrijding van de belastbaarheid vormt. De Raad merkt hierbij op dat ook wanneer de functie chauffeur bijzonder vervoer niet geschikt wordt geacht, de functie productiemedewerker industrie (sbc-code 111180) aan de schatting ten grondslag kan worden gelegd, zonder dat dit leidt tot een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse.

7.3. De conclusie is derhalve dat het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond dient te worden verklaard.

8. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 966,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.610,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond en vernietigt dat besluit;

Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.610,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 december 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) T.J. van der Torn.

KR