Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG7985

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-12-2008
Datum publicatie
22-12-2008
Zaaknummer
07-4412 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om schadevergoeding wegens de gestelde overschrijding van de redelijke termijn en de kosten van de procedure. Geen sprake van schending redelijke termijn. Besluit afwijzing van de aanvraag om bijstand is herroepen: Hiermee is voldaan aan de in artikel 7:15, tweede lid Awb gestelde vereisten voor vergoeding van de kosten van het bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4412 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 19 juni 2007, 06/2033 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Valkenburg aan de Geul (hierna: College)

Datum uitspraak: 9 december 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.E. Helmink, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het geschil is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 4 november 2008. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant, geboren in 1955 en van Duitse nationaliteit, is in 2001 in de gemeente Valkenburg aan de Geul komen wonen. Nadat hem bij uitspraak van het Landessozialgericht Nordrhein-Westfalen van 16 maart 2005 een aanspraak op "Arbeitslosenhilfe" naar Duits recht met ingang van 4 november 2000 was ontzegd, heeft hij zich op 13 mei 2005 gemeld teneinde een aanvraag ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) in te dienen.

1.2. Bij besluit van 2 augustus 2005 heeft het College deze aanvraag afgewezen. Appellant heeft hiertegen op 9 september 2005 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 17 januari 2006, onder wijziging van de motivering vervangen door een besluit van 4 april 2006, heeft het College dit bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 11 april 2006, voor zover nog van belang, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het besluit van 4 april 2006 vernietigd.

1.3. Hangende beroep tegen het uitblijven van een nieuwe beslissing op bezwaar heeft het College bij besluit van 28 november 2006 het bezwaar van appellant gegrond verklaard en hem alsnog met ingang van 13 mei 2005 bijstand toegekend. Appellant heeft de rechtbank desgevraagd meegedeeld dat dit besluit vrijwel volledig aan zijn bezwaar tegemoet komt, met dien verstande dat hij nog aanspraak maakt op vergoeding van immateriële schade vanwege de lange duur van de procedure dit onder verwijzing naar het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) alsmede op vergoeding van de kosten van het bezwaar en de proceskosten in beroep.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het uitblijven van een nieuwe beslissing op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen, het beroep tegen het besluit van 28 november 2006 ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat appellant heeft berust in de toekenning van bijstand per 13 mei 2005, dat het College reeds uit eigen beweging vergoeding van de proceskosten heeft toegekend en dat de duur van de procedure, vanaf het bezwaar van 9 september 2005 tot aan het moment van de aangevallen uitspraak, de redelijke termijn bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM niet heeft overschreden.

3. Appellant heeft in hoger beroep in hoofdzaak aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de duur van de gehele procedure niet van dien aard is geweest dat artikel 6, eerste lid, van het EVRM is geschonden. Hij heeft er onder meer op gewezen dat hij langdurig in onzekerheid heeft verkeerd omtrent zijn inkomenssituatie, alsmede dat het College bij herhaling beslistermijnen heeft overschreden en tot drie maal toe een beslissing op bezwaar heeft moeten nemen om tot erkenning van zijn aanspraken te komen. Appellant acht zijn situatie, zeker voor een grensgemeente in Zuid-Limburg, niet uitzonderlijk en de gemeenschapsrechtelijke aspecten ervan rechtvaardigden de lange duur naar zijn mening dan ook niet. Voorts heeft hij verzocht het College te veroordelen in de kosten van het bezwaar en in de proceskosten in beroep en hoger beroep.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Gelet op de gedingstukken onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat met het besluit van 28 november 2006 een einde is gekomen aan het inhoudelijke geschil van partijen omtrent de toekenning van bijstand, de ingangsdatum van de uitkering daaronder begrepen. Aan de orde zijn nog slechts het verzoek om schadevergoeding wegens de gestelde overschrijding van de redelijke termijn bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM en de kosten van de procedure.

4.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat voor de toepassing van artikel 6, eerste lid, van het EVRM de onderhavige procedure is aangevangen met het bezwaarschrift van 9 september 2005, gericht tegen de afwijzing van de aanvraag om bijstand op grond van de WWB. Van een eerder ingediende aanvraag om bijstand, gericht tot het College, is geen sprake. Evenmin zijn er aanknopingspunten om het College te volgen in zijn stelling dat het begin van de procedure op een latere datum had moeten worden bepaald.

4.3. Daarvan uitgaande stelt de Raad vast dat de totale procedure, tot op het moment van deze uitspraak in hoger beroep, drie jaar en drie maanden heeft geduurd. Gelet hierop is de Raad van oordeel dat van schending wegens overschrijding van de redelijke termijn bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM hier geen sprake is. Voor vergoeding van schade, zoals door appellant verzocht, is dus ook thans geen plaats.

4.4. Wat betreft de kosten van de procedure overweegt de Raad dat het College, naar de rechtbank terecht heeft overwogen, aan appellant reeds voldoende vergoeding heeft toegekend voor de proceskosten en het griffierecht in beroep. Het College en de rechtbank hebben er echter aan voorbijgezien dat bij het besluit van 28 november 2006 de aanvankelijke afwijzing van de aanvraag om bijstand is herroepen op de grond dat deze in strijd was met de wet. Nu die strijdigheid aan het College was te wijten, is voldaan aan de in artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde vereisten voor vergoeding van de kosten van het bezwaar, zoals door appellant in zijn bezwaarschrift verzocht. Ten onrechte is in het besluit van 28 november 2006 niet (mede) de toekenning van zodanige vergoeding opgenomen.

4.5. De aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het verzoek om kostenvergoeding is afgewezen, komt voor vernietiging in aanmerking. Het beroep van appellant is gegrond en het besluit van 28 november 2006 moet worden vernietigd voor zover daarin geen vergoeding is toegekend voor de kosten van het bezwaar. Het College dient met toepassing van artikel 8:75 in verbinding met artikel 7:15 van de Awb alsnog in deze kosten te worden veroordeeld. Deze worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaald op € 644,-- wegens aan appellant verleende rechtsbijstand. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn zal worden afgewezen.

4.6. De Raad acht voorts termen aanwezig om het College met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep tot een bedrag van € 322,-- wegens aan appellant verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het verzoek om kostenvergoeding is afgewezen;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 28 november 2006 voor zover daarin geen vergoeding is toegekend voor de kosten van het bezwaar;

Veroordeelt het College in de kosten van appellant in bezwaar en hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 966,--, te betalen door de gemeente Valkenburg aan de Geul aan de griffier van de Raad;

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af;

Bepaalt dat de gemeente Valkenburg aan de Geul aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van € 106,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en R. Kooper en R.H.M. Roelofs als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 december 2008.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) W. Altenaar.

IJ