Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG7983

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-12-2008
Datum publicatie
22-12-2008
Zaaknummer
07-3651 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en de voorziening in bedrijfskapitaal inzake de exploitatie van een schoenenwinkel. Geen levensvatbaar bedrijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3651 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 mei 2007, 06/3983 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 9 december 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A. Oosterveen, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2008. Appellant is verschenen bij gemachtigde mr. P. van der Heijden, kantoorgenoot van mr. Oosterveen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.H. Nicolai, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Op 30 december 2005 heeft appellant een uitkering ingevolge het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) aangevraagd voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en de voorziening in bedrijfskapitaal inzake de exploitatie van een schoenenwinkel onder de naam [naam schoenenhandel] in het centrum van Rotterdam. Appellant heeft daarbij tevens een ondernemingsplan ingediend.

1.1. Vanwege het Regionaal Bureau Zelfstandigen (hierna: RBZ) van de gemeente Rotterdam is aan Friedeberg Consultancy B.V. te Amsterdam (hierna: Friedeberg) verzocht de aanvraag van appellant te onderzoeken en advies uit te brengen.

1.2. In zijn rapport van 24 maart 2006 heeft Friedeberg aan dit verzoek voldaan. Friedeberg is daarin tot de conclusie gekomen dat er geen sprake is van een levensvatbaar bedrijf in de zin van het Bbz 2004. Die conclusie berust op het standpunt dat het ondernemingsplan op een aantal onderdelen tekortschiet, te weten de bedrijfsformule, de concurrentiepositie en het vestigingspunt, de marktsituatie en de ondernemerskwaliteiten van appellant.

1.3. Bij besluit van 10 april 2006 heeft het College, met inachtneming van het door Friedeberg uitgebrachte advies, de aanvraag van appellant afgewezen omdat het door hem te exploiteren bedrijf niet levensvatbaar wordt geacht.

1.4. Bij besluit van 28 augustus 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 10 april 2006 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 28 augustus 2006 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het advies van Friedeberg op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en er, gelet op hetgeen namens eiser is aangevoerd, geen aanleiding bestaat aan de inhoud van het advies te twijfelen.

2.1. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel berust en hij neemt deze over. In hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om tot een ander oordeel te komen.

3.2. Ook de Raad wijst er op dat wanneer appellant stelt dat in het rapport van Friedeberg feitelijke onjuistheden staan, het aan appellant is om deze stellingname aannemelijk te maken. Appellant heeft echter ook in hoger beroep geen bewijsstukken aangedragen waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat in dat rapport op een of meer onderdelen sprake is van een onjuiste weergave van de feiten.

3.3. Met betrekking tot de concurrentiepositie heeft appellant in het hoger beroepschrift wel een lijst in het vooruitzicht gesteld met daarop een overzicht van alle schoenenwinkels in Rotterdam centrum in 2006 en het assortiment dat zij aanboden. Daaruit zou volgens appellant moeten blijken dat er slechts één concurrent in de directe omgeving gevestigd is en drie concurrenten in het gehele centrum van Rotterdam.

Appellant heeft echter een dergelijke lijst niet overgelegd. Volgens de gemachtigde ter zitting is dit niet gebeurd wegens tijdgebrek van appellant. Wat daar verder ook van zij, nu appellant ook zijn stelling met betrekking tot dit onderdeel niet met bewijzen heeft gestaafd, gaat de Raad daaraan voorbij.

4. Het vorenstaande leidt er toe dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en J.J.A. Kooijman en H.C.P. Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 december 2008.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) A. Badermann.

OA