Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG7929

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-12-2008
Datum publicatie
22-12-2008
Zaaknummer
06-1936 AW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing vergoeding overeenkomstig de “Tijdelijke afspraken uitzendvoorwaarden KLPD RST” (TAU).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1936 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 februari 2006, 05/2529 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties (hierna: minister)

Datum uitspraak: 18 december 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juni 2007. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.J.M. Scheen, werkzaam bij CNV Publieke Zaak, en door mr. R.A. Atminah, mr. N.D.R. Toirkens en mr. M.A. Koelman, mede-gemachtigden. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. van der Meyden en T. Visser, beiden werkzaam bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Na heropening van het onderzoek is de zaak opnieuw behandeld ter zitting van 20 november 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Scheen, voornoemd. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.G.F.M. Hoffmans, advocaat te ’s-Gravenhage, en mr. Van der Meyden en Visser, voornoemd, alsmede F.J. Berkenvelde, werkzaam op genoemd ministerie.

II. OVERWEGINGEN

1. Hierna wordt onder de minister mede verstaan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties als rechtsopvolger van de minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties.

2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.1. Ingevolge artikel 3 van het Besluit van 8 januari 2001, houdende regels inzake het beschikbaarstellen van ambtenaren aan de Nederlandse Antillen en Aruba (hierna: Besluit) kan, voor zover hier van belang, een ambtenaar in dienst van een gemeente op zijn verzoek door de minister ter beschikking worden gesteld aan de Nederlandse Antillen en Aruba voor het vervullen van een functie bij de overheden in die landen. Voorts is in artikel 4 van het Besluit bepaald dat de minister voor de terbeschikkingstellingen alsmede de voorwaarden waaronder deze plaatsvinden nadere regels vaststelt.

2.2. Bij besluit van 4 oktober 2002 heeft de minister appellant, werkzaam bij de gemeente [naam gemeente], voor de periode van 15 oktober 2002 tot 15 oktober 2005 ter beschikking gesteld aan het Bestuurscollege van Sint Maarten voor de vervulling van de functie van projectmanager civiele techniek. Daarbij is bepaald dat appellant onder meer de toelagen en vergoedingen ontvangt zoals genoemd in het concept van een regeling overeenkomstig artikel 4 van het Besluit (hierna: concept-Rbana).

2.3. Bij brief van 12 juli 2004 heeft appellant de minister verzocht hem vanaf 15 oktober 2002 vergoedingen toe te kennen overeenkomstig de “Tijdelijke afspraken uitzendvoor-waarden KLPD RST” (hierna: TAU). Bij besluit van 2 augustus 2004 heeft de minister dit verzoek afgewezen. Bij het bestreden besluit van 16 februari 2005 heeft de minister dit afwijzingsbesluit na door appellant gemaakt bezwaar gehandhaafd.

2.4. Op 23 november 2005 heeft de minister een regeling als bedoeld in artikel 4 van het Besluit vastgesteld (hierna: Rbana). De Rbana is op 6 december 2005 in werking getreden en daaraan is terugwerkende kracht verleend tot 1 juli 2004.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

4.1. De TAU bevat een voor naar de Nederlandse Antillen en Aruba uitgezonden ambtenaren gunstiger regeling dan de concept-Rbana. De Rbana, die ingaande 1 juli 2004 op appellant van toepassing is geworden, kent daarentegen weer een gunstiger regeling voor deze ambtenaren dan de TAU. De Raad gaat er daarom van uit dat het geschil betrekking heeft op de periode van 15 oktober 2002 tot 1 juli 2004.

4.2. De TAU is in werking getreden op 15 november 2003 en werkt terug tot 1 september 1997. De TAU bevat uitzendvoorwaarden voor personeel dat door het Korps landelijke politiediensten (Klpd) naar de Nederlandse Antillen en Aruba is uitgezonden om deel uit te gaan maken van het Recherche Samenwerkingsteam (RST). Volgens appellant dienen de regels van de TAU uit een oogpunt van rechtsgelijkheid ook op hem van toepassing te worden verklaard omdat de minister tevens korpsbeheerder is van het Klpd. De Raad deelt deze mening niet. Naar zijn oordeel gaat het hier niet om ambtenaren waarmee appellant op één lijn valt te stellen. De ambtenaren werkzaam bij het Klpd vielen immers niet onder het Besluit. Reeds hierom kon voor hen een andere rechtspositie tot stand worden gebracht. Dat hierin bij koninklijk besluit van 30 augustus 2004 wijziging is aangebracht, maakt dit niet anders. Bovendien treden de zogeheten RST-ers, anders dan bij appellant het geval was, niet in dienst van de overheid van de Nederlandse Antillen of Aruba maar zijn zij werkzaam in een samenwerkingsverband van de landen van het Koninkrijk. Weliswaar zijn ook bij de FIOD werkzame ambtenaren die werden uitgezonden onder de TAU gebracht, maar het betreft hier opsporingsambtenaren die bij het Klpd waren gedetacheerd en vanuit het Klpd werkzaamheden zijn gaan verrichten voor het RST. Hun situatie is dus in relevante mate anders dan die van appellant.

4.3. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en M.C. Bruning als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 december 2008.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) M. van Berlo.

HD

15.12