Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG7441

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-12-2008
Datum publicatie
18-12-2008
Zaaknummer
07-5370 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om herziening. Geen nieuwe feiten of omstandigheden. Voor de vraag of sprake is geweest van vrijheidsberoving in de zin van de Wet is bepalend dat deze vrijheidsberoving gepaard moet zijn gegaan met permanente bewaking zonder enige bewegingsvrijheid. I.c. enerzijds sprake van een door de feitelijke omstandigheden bepaalde situatie die niet het gevolg was van handelingen of maatregelen van de Japanse bezetter op grond van de bij appellant en zijn familie aanwezige Europese afkomst of Europees gezinde instelling en anderzijds geen sprake van een absolute vrijheidsberoving zonder bewegingsvrijheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5370 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 4 december 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 2 augustus 2007, kenmerk BZ 46917, JZ/Z60/2007, waarbij uitvoering is gegeven aan de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2008. Aldaar is appellant, naar tevoren was bericht, niet verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1. Door appellant, die is geboren in 1939, is in november 1985 een aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering als vervolgde. Bij besluit van de rechtsvoorganger van verweerster, de Uitkeringsraad, van 31 oktober 1986 is deze aanvraag afgewezen op de grond dat niet is gebleken dat appellant tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië vrijheidsberoving heeft ondergaan in concentratiekampen, gevangenissen of ander verblijfplaatsen, waar permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

2.1. In oktober 2006 heeft appellant zich tot verweerster gewend met een verzoek om herziening van voormeld besluit. Ten behoeve van dit verzoek en het bezwaar tegen de beslissing op dit verzoek zijn door appellant verklaringen ingezonden van zijn halfbroer, [naam halfbroer], wonende te Australië, met daarin nadere informatie omtrent de situatie van het gezin tijdens de Japanse bezettingsperiode en met name een beschrijving van de toestand waarin de vader van appellant heeft verkeerd toen hij na een mishandeling door de Kempetai werd thuisgebracht.

2.2. Dit verzoek van appellant heeft verweerster met toepassing van artikel 61, tweede lid van de Wet afgewezen bij besluit van 30 januari 2007, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit op de grond dat er geen nieuwe feiten of gegevens naar voren zijn gekomen die tot een herziening van het besluit van 31 oktober 1986 zouden kunnen leiden.

3. De Raad heeft in dit geding de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep in aangevoerd, in rechte stand kan houden. Deze vraag beantwoordt de Raad bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

3.1. Op grond van het bepaalde in artikel 61, tweede lid, van de Wet is verweerster bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen met zich brengt dat de Raad het bestreden besluit slechts met terughoudendheid kan toetsen. Daarbij staat centraal de vraag of door appellant feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht die aan verweerster bij het nemen van haar eerdere besluit niet bekend waren en dat besluit in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerster daarin aanleiding had moeten zien om tot herziening over te gaan.

3.2. Van dergelijke feiten en omstandigheden is de Raad niet gebleken. Hij overweegt daarbij dat voor de vraag of sprake is geweest van vrijheidsberoving in de zin van de Wet bepalend is dat deze vrijheidsberoving gepaard moet zijn gegaan met permanente bewaking zonder enige bewegingsvrijheid. Uit de verklaringen van de halfbroer van appellant komt naar voren dat de gezinsleden constant door Japanse soldaten werden bedreigd en daarom het huis niet uit durfden en dus in feite gevangenen in hun eigen huis waren. Deze situatie heeft verweerster naar het oordeel van de Raad terecht niet op één lijn zien staan met vrijheidsberoving in de zin van de Wet. Enerzijds omdat sprake was van een door de feitelijke omstandigheden bepaalde situatie die niet het gevolg was van handelingen of maatregelen van de Japanse bezetter op grond van de bij appellant en zijn familie aanwezige Europese afkomst of Europees gezinde instelling en anderzijds omdat blijkens de gedingstukken van een absolute vrijheidsberoving zonder bewegingsvrijheid geen sprake was, omdat de gezinsleden wel naar buiten mochten, bijvoorbeeld om eten te zoeken, maar dat zij aan de wachten moesten vertellen wat ze gingen doen. Het getuige zijn van de thuiskomst van zijn door de Kempetai mishandelde vader heeft verweerster voorts op goede gronden niet gezien als een gebeurtenis die een ander licht werpt op de vraag of in het geval van appellant sprake is geweest van vervolging in de zin van de Wet.

3.3. Hetgeen namens appellant in beroep nog naar voren is gebracht, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen. Hieruit valt af te leiden hoe in het algemeen de omstandigheden voor appellant waren tijdens de Japanse bezetting, waarbij de hele sfeer vijandig en onzeker was en voedsel schaars en duur. Specifieke vervolgingsaspecten ziet de Raad daarbij niet naar voren komen.

4. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op4 december 2008.

(get.) H.R. Geerling-Brouwer.

(get.) M. van Berlo.

HD