Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG7420

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-12-2008
Datum publicatie
30-12-2008
Zaaknummer
07-1366 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning gedeeltelijke WAO-uitkering. Juiste beperkingen in acht genomen? Het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige volgen. Het door de deskundige ingenomen standpunt strookt – anders dan de bezwaarverzekeringsarts meent – met de jurisprudentie. De Raad heeft - kort samengevat - slechts geoordeeld dat een afwijkende karakterstructuur of persoonlijkheidsstoornis bezien op zichzelf in zijn algemeenheid niet als ziekte of gebrek kan worden gekwalificeerd. Voorts is uitgesproken dat een persoonlijkheidsstoornis weliswaar geen gebrek is, maar wel tot een problematiek kan leiden die als gebrek is aan te merken. Medische onderbouwing is noodzakelijk, waarvan hier sprake is. In de jurisprudentie zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het door het Uwv ingenomen standpunt dat in het geval de bij betrokkene bestaande psychopathologie mede wordt beïnvloed door de persoonlijkheidsstructuur van betrokkene er - zo al mogelijk - een onderscheid moet worden gemaakt tussen de beperkingen voortvloeiende uit de persoonlijkheidsstoornis en de beperkingen voortvloeiende uit de bij betrokkene bestaande psychopathologie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1366 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 22 februari 2007, 05/63 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),

en

appellant.

Datum uitspraak: 5 december 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2008. Appellant was vertegenwoordigd door F. Meijer. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 24 november 2004 heeft appellant, beslissend op bezwaar, aan betrokkene per einde wachttijd een WAO-uitkering toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

1.2. Betrokkene heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

1.3. De rechtbank heeft aanleiding gezien psychiater dr. H.N. Sno als deskundige te benoemen. De deskundige heeft betrokkene onderzocht en op 7 oktober 2005 en

22 mei 2006 gerapporteerd.

1.4. Bij besluit van 6 september 2006 heeft appellant het besluit van 24 november 2004 gewijzigd. De aan betrokkene toegekende WAO-uitkering wordt alsnog berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene, gericht tegen het besluit van 24 november 2004 niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen het besluit van 6 september 2006 heeft de rechtbank gegrond verklaard. Het besluit van 6 september 2006 is door de rechtbank vernietigd. De rechtbank heeft haar oordeel omtrent het besluit van 6 september 2006, kort samengevat, doen steunen op de overweging dat appellant bij het besluit van 6 september 2006 ten onrechte is afgeweken van de door de deskundige vastgestelde beperkingen.

3.1. Appellant heeft zich in hoger beroep, kort samengevat, op het standpunt gesteld dat:

?de rechtbank ten onrechte het oordeel van de deskundige heeft gevolgd ten aanzien van de bij betrokkene bestaande beperkingen op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren;

?de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 3 juli 2006 de urenbeperking niet op juiste wijze is weergegeven en de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat, gelet op het oordeel van de deskundige, zonder nadere motivering de bezwaarverzekeringsarts niet kan worden gevolgd in zijn stelling dat de basale motoriek van betrokkene als normaal moet worden beschouwd.

3.2. Ter onderbouwing van zijn gronden heeft appellant verwezen naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek, gedateerd 7 maart 2007. In dit rapport is onder meer vermeld dat de deskundige bij het aangeven van de beperkingen van betrokkene ten onrechte geen onderscheid heeft gemaakt tussen de beperkingen die voortvloeien uit karaktereigenschappen en de beperkingen die voortvloeien uit een psychiatrische ziekte. De bezwaarverzekeringsarts is van opvatting dat dit wel dient te gebeuren en dat bij de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid van betrokkene bij besluit van 6 september 2006 terecht slechts rekening is gehouden met die beperkingen die uit ziekte voortvloeien. De bezwaarverzekeringsarts heeft voorts gesteld dat de deskundige onvoldoende heeft geobjectiveerd en onderbouwd dat een urenbeperking is aangewezen op grond van een psychiatrische stoornis.Ten slotte heeft de bezwaarverzekeringsarts aangegeven dat de beperkingen in handelingstempo, nu de deskundige heeft aangegeven dat de basale motoriek “rustig” is, naar haar mening niet in rubriek 1.7, maar in rubriek 1.8 van de FML dienen te worden vermeld.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. In de jurisprudentie van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige volgt, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel is gerechtvaardigd.

4.2. Op verzoek van de rechtbank heeft de onafhankelijke medisch deskundige Sno omtrent betrokkene gerapporteerd. De deskundige heeft in zijn rapport van 7 oktober 2005 uitgebreid onderbouwd uiteengezet dat de door hem aangegeven beperkingen naar algemeen aanvaard actueel internationaal medisch wetenschappelijk inzicht een rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken zijn.In zijn nader rapport van 22 mei 2006 heeft de deskundige de reactie op zijn rapport van 7 oktober 2005 van de bezwaarverzekeringsarts, inhoudende dat hij ten onrechte geen onderscheid heeft gemaakt tussen beperkingen die voortvloeien uit de persoonlijkheids-structuur van betrokkene en die beperkingen die voortvloeien uit psychopathologie besproken. De deskundige heeft kort samengevat aangegeven dat er een onlosmakelijke relatie bestaat tussen psychopathologie en persoonlijkheid. De deskundige heeft erop gewezen dat vanuit psychiatrisch perspectief de kwetsbaarheid voor psychische decompensatie in belangrijke mate, maar niet uitsluitend, is verhoogd door de aanpassingsstoornis. Naar zijn mening kan van een splitsing als door de bezwaar-verzekeringsarts is aangegeven geen sprake zijn.

4.3. Het door de deskundige ingenomen standpunt strookt – anders dan de bezwaarverzekeringsarts meent – met de jurisprudentie van de Raad. De Raad heeft in zijn uitspraken van 23 februari 2005 (LJN AS9172) en 23 februari 2007 (LJN AZ9468) – kort samengevat - slechts geoordeeld dat een afwijkende karakterstructuur of persoonlijkheidsstoornis bezien op zichzelf in zijn algemeenheid niet als ziekte of gebrek kan worden gekwalificeerd. In onder andere zijn uitspraak van 8 augustus 2007 (LJN BB1440) heeft de Raad echter – onder verwijzing naar eerder gegeven oordelen – uitgesproken dat een persoonlijkheidsstoornis weliswaar geen gebrek is, maar wel tot een problematiek kan leiden die als gebrek is aan te merken. De Raad heeft erop gewezen dat hiervoor dan wel een medische onderbouwing noodzakelijk is. Van zo’n situatie is in dit geval sprake. In de jurisprudentie zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het door appellant ingenomen standpunt dat in het geval de bij betrokkene bestaande psychopathologie mede wordt beïnvloed door de persoonlijkheidsstructuur van betrokkene er – zo al mogelijk – een onderscheid moet worden gemaakt tussen de beperkingen voortvloeiende uit de persoonlijkheidsstoornis en de beperkingen voortvloeiende uit de bij betrokkene bestaande psychopathologie.

4.4. De grief van appellant dat de rechtbank ten onrechte het oordeel van de deskundige heeft gevolgd ten aanzien van de bij betrokkene bestaande beperkingen op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren treft mitsdien geen doel.

4.5. De grief van appellant dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat in de FML de urenbeperking niet op juiste wijze is weergegeven treft evenmin doel.De door de deskundige noodzakelijk geachte urenbeperking op het indicatiegebied preventie is door de bezwaarverzekeringsarts niet overgenomen, omdat naar haar mening deze beperking samenhangt met de persoonlijkheidsstructuur van betrokkene en niet is gebaseerd op een bij betrokkene bestaande ziekte of gebrek.Dit standpunt is zoals aangegeven in rechtsoverweging 4.3 onjuist.

4.6. Ook het oordeel van de deskundige ten aanzien van een noodzakelijke urenbeperking op het indicatiegebied energetisch is door appellant niet gevolgd. Met de rechtbank en op dezelfde grond is de Raad van oordeel dat op basis van de door de bezwaarverzekerings-arts gegeven motivering een afwijking van het oordeel van de deskundige niet is gerechtvaardigd.

4.7. De grief van appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat, gelet op het oordeel van de deskundige, zonder nadere motivering de bezwaarverzekeringsarts niet kan worden gevolgd in zijn stelling dat de basale motoriek van betrokkene als normaal moet worden beschouwd treft evenmin doel. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat gelet op hetgeen de deskundige heeft gesteld omtrent het aanmerkelijk vertraagde handelingstempo van betrokkene als gevolg van (onder andere) multipele pijnklachten de bezwaarverzekeringsarts – zonder nadere motivering - niet kan worden gevolgd dat de basale motoriek van betrokkene niet beperkt is.

4.8. Het hoger beroep van appellant treft mitsdien geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.9. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in door betrokkene wegens rechtsbijstand in hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 322,-, aan betrokkene te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 428,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 december 2008.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.L. de Gier.

MH