Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG7256

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-12-2008
Datum publicatie
23-12-2008
Zaaknummer
06-6029 WVG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing woonvoorzieningen in de vorm van een staaldraad traplift, aangezien deze begint bij de eerste trede en niet ondenkbeeldig is dat het gebruik van de eerste trede voor betrokkene in de toekomst problemen zal kunnen opleveren. Geen rekening houden met toekomstige, onzekere omstandigheden. Raad voorziet zelf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2009/55
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/6029 WVG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 8 september 2006, 06/1133 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal (hierna: College)

Datum uitspraak: 3 december 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.G.N.M. van Caam, advocaat te Roosendaal, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld op de zitting van de meervoudige kamer van 14 mei 2008. Voor appellant is mr. Van Caam verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.W.C.A. Bruggemans en P.L.W.G. van de Molengraaf, beiden werkzaam bij de gemeente Roosendaal.

Vervolgens is het onderzoek heropend.

Namens appellante is bij brief van 11 juni 2008 een nader stuk ingezonden.

Het College heeft daarop bij brief van 18 juli 2008 gereageerd.

De meervoudige kamer heeft de behandeling van het geding verwezen naar de enkelvoudige kamer.

Het geding is opnieuw behandeld op de zitting van 22 oktober 2008. Voor appellante is mr. Van Caam verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door P.L.W.G. van de Molengraaf.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een weergave van de feiten en het procesverloop verwijst de Raad naar rubriek 2.1 van de aangevallen uitspraak. Hij maakt deze tot de zijne. Hier wordt met het volgende volstaan.

1.2. Appellante heeft op 21 januari 2004 woonvoorzieningen in de vorm van onder meer een traplift aangevraagd.

1.3. Het College heeft deze aanvraag op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) bij besluit van 10 maart 2004 afgewezen.

1.4. Het College heeft het bezwaar van appellante bij besluit van 2 augustus 2004 ongegrond verklaard. Dit besluit berust op het standpunt dat verwezenlijking van de aangevraagde woningaanpassing, gezien het lichaamsgewicht van appellante en haar echtgenoot, technisch niet mogelijk is en dat in de situatie van appellante toekenning van een verhuiskostenvergoeding de goedkoopst adequate voorziening is.

1.5. De rechtbank Breda heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 2 augustus 2004 bij uitspraak van 26 mei 2005, 04/1924, gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het College opgedragen om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellante. Tevens zijn bepalingen over vergoeding van proceskosten en griffierecht gegeven. De rechtbank heeft geoordeeld dat het door gebrekkig onderzoek van het College niet duidelijk is of het al dan niet mogelijk is om een traplift te plaatsen. Tevens is geoordeeld dat het College het belang van appellante om niet te verhuizen onvoldoende heeft meegewogen.

1.6. Partijen hebben in die uitspraak berust.

1.7. Het College heeft het bezwaar van appellante bij besluit van 20 januari 2006 opnieuw ongegrond verklaard. Dit besluit berust op het standpunt dat het weliswaar technisch mogelijk is om een staaldraadlift aan te brengen vanaf de eerste trede van de trap van de woning van appellante, maar dat het, gezien de aandoening van appellante, niet denkbeeldig is dat het gebruik van de eerste trede van de trap naar de bovenverdieping in de toekomst nog problemen zal gaan opleveren. Daarom is verhuizing naar een volledig gelijkvloerse woning de enig mogelijke langdurig adequate voorziening. Aangezien de kosten van een staaldraadlift € 6.300,-- bedragen wordt een verhuiskostenvergoeding van € 6.300,-- toegekend.

2.1. In de thans aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 20 januari 2006 ongegrond verklaard. Zij heeft overwogen dat uit het advies van de Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg (hierna: CIZ) van 17 november 2005 blijkt dat een traplift met een opstap vanaf de eerste trede van de trap voor appellante geen adequate voorziening is en dat er geen reden is om de juistheid van dat advies in twijfel te trekken. Verder is overwogen dat het College de sociale omstandigheden van appellante voldoende heeft meegewogen bij de beoordeling of verhuizing naar een gelijkvloerse woning in haar situatie de goedkoopst adequate voorziening is.

2.2. Appellante heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

3.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.2. De Raad stelt, gezien het verhandelde op de zittingen van 14 mei en 22 oktober 2008, vast dat het geschil zich toespitst op de vraag of een traplift in de situatie van appellante kan worden aangemerkt als de goedkoopste langdurig adequate voorziening.

3.3. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend. Hij overweegt daartoe dat uit de voorhanden zijnde gegevens niet blijkt dat appellante geen gebruik kan maken van een traplift. Dat dit in de toekomst wellicht anders zou kunnen zijn, is, in het onderhavige geval, gezien deze gegevens, een onzekere omstandigheid waarop de beoordeling in het geval van appellante niet kan worden gebaseerd. Appellante heeft voorts met de verklaring van PractiComfort B.V. van 6 juni 2008 genoegzaam aangetoond dat het in de situatie van haar woning technisch mogelijk is om een op de trap steunende lift van het type Sparta 2 aan te brengen en dat deze lift een toereikend draagvermogen heeft van 180 kilo. Voorts heeft de leverancier verklaard in te staan voor een 100% verantwoord gebruik van deze traplift door appellante en haar echtgenoot. De Raad stelt vast dat met de aanschaf en het aanbrengen van deze lift een investering van € 5.000,-- inclusief BTW gemoeid zal zijn. De Raad is onder deze omstandigheden van oordeel dat een veilig, verantwoord gebruik van de door de leverancier aangeboden traplift in de woonsituatie van appellante voldoende is gewaarborgd. De Raad stelt ten slotte vast dat deze traplift goedkoper is dan de door het College toegekende verhuiskostenvergoeding van € 6.300,--. Nu voorts appellante zich bereid heeft verklaard om de door het College verlangde egalisatie van de bovenverdieping, bestaande uit het wegnemen van enkele drempels, voor eigen rekening te realiseren, is de Raad van oordeel dat het toekennen van een vergoeding voor het aanschaffen en aanbrengen van een traplift van het type Sparta 2 in het geval van appellante moet worden aangemerkt als de goedkoopst adequate woonvoorziening.

3.4. Met hetgeen is overwogen onder 3.2 en 3.3 is gegeven dat het beroep gegrond is. Dit betekent dat het besluit van

20 januari 2006 dient te worden vernietigd, evenals de aangevallen uitspraak waarbij het beroep tegen dat besluit ongegrond is verklaard.

3.5. De Raad acht het aangewezen om, nu daarvoor geen beletselen zijn, zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat aan appellante een vergoeding wordt toegekend voor het aanschaffen en aanbrengen van een Sparta 2 traplift als bedoeld in de offerte van PractiComfort B.V. van 7 april 2008, zoals nader toegelicht in de brief van PractiComfort B.V. van 6 juni 2008.

4. De Raad veroordeelt het College tot vergoeding van de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 644,-- voor rechtsbijstand in beroep en € 1.610,-- voor rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 20 januari 2006;

Bepaalt dat aan appellante een vergoeding wordt toegekend als gepreciseerd onder 3.5 van deze uitspraak;

Veroordeelt het College tot vergoeding van de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 2.254,--, te betalen door de gemeente Roosendaal aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Roosendaal het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 142,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 december 2008.

(get.) R.M. van Male

(get.) J. Waasdorp

IJ