Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG7249

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-12-2008
Datum publicatie
23-12-2008
Zaaknummer
07-4323 WWB + 07-4329 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging bijstandsuitkering in verband met het verstrijken van de maximaal geldende vakantieduur. Brief met mededeling is niet gericht op rechtsgevolg. Bezwaar had niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. Bezwaar tegen latere besluiten alsnog ontvankelijk verklaren. De Raad voorziet zelf in de zaak. Ongerechtvaardigd onderscheid naar leeftijd, nu appellant feitelijk in dezelfde positie verkeert als de persoon van 57,5 jaar zonder arbeidsverplichtingen en hij niettemin slechts voor vier weken in plaats van dertien weken met behoud van bijstand in het buitenland mag verblijven?

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Wet werk en bijstand 13
Wet werk en bijstand 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2009, 27
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4323 WWB

07/4329 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 7 juni 2007, 06/6218 en 06/7253 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Velsen (hierna: College)

Datum uitspraak: 2 december 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Fischer. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. Wigchert, werkzaam bij de gemeente Velsen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant ontvangt sedert oktober 2003 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 27 juni 2005 heeft het College appellant ontheven van de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB tot aan de datum van een voorgenomen arbeidsmedisch onderzoek. Dit onderzoek heeft plaatsgevonden op 20 september 2005 door de bedrijfsarts J.H. de Bruine en de register-arbeidsdeskundige

Th.M. Mulders-Geurts, beiden werkzaam bij WOSM. Daarbij werd appellant voor maximaal 20 uur per week belastbaar geacht en is tevens geadviseerd hem actief te begeleiden naar arbeid. Op 29 maart 2006 is met appellant aan de hand van het WOSM-rapport gesproken over zijn re-integratie via de Meergroep. Vervolgens heeft hij gemeld dat hij op 5 april 2006 naar zijn vriendin in Kroatië ging zonder daarbij de precieze verblijfsduur aan te geven. Daarop heeft het College appellant bij brief van 4 april 2006 meegedeeld dat de bijstand tot en met 24 april 2006 wordt doorbetaald omdat dan de maximaal resterende duur van de jaarlijkse vakantieperiode is bereikt. Verder is nog gewezen op de consequenties die aan een langer verblijf in het buitenland zijn verbonden.

1.2. Bij besluit van 11 juli 2006 heeft het College het daartegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is onder meer overwogen dat het beroep op gelijkstelling met de categorie van personen van 57,5 jaar zonder arbeidsverplichting, voor wie een periode van 13 weken geldt, geen doel treft aangezien op appellant ten tijde in geding de arbeidsverplichtingen onverkort van toepassing waren en men voor hem bezig was met de voorbereiding van een re-integratietraject.

1.3. Appellant heeft zich na zijn terugkeer uit Kroatië op 15 mei 2006 weer bij de afdeling SZW van de gemeente gemeld. Bij besluit van 7 juni 2006 heeft het College appellant over de periode van 25 april 2006 tot en met 14 mei 2006 uitgesloten van het recht op bijstand.

1.4. Bij besluit van 1 augustus 2006 is het tegen dat besluit gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft het College, onder verwijzing naar het eerdere besluit van 4 april 2006, overwogen dat appellant geen belang meer had bij het nogmaals verkrijgen van een inhoudelijk standpunt omtrent zijn recht op bijstand na het verstrijken van de maximaal voor hem geldende vakantieduur.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de tegen de besluiten van 11 juli 2006 en 1 augustus 2006 ingestelde beroepen ongegrond verklaard met dien verstande dat het besluit van 7 juni 2006 volgens de rechtbank niet op rechtsgevolg was gericht zodat het daartegen gerichte bezwaar om die reden niet-ontvankelijk was.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellant heeft bij de afdeling SZW van de gemeente Velsen gemeld dat hij op 5 april 2006 naar zijn vriendin in Kroatië vertrekt zonder daarbij de precieze verblijfsduur aan te geven. Daarop is van de zijde van het College volstaan met de schriftelijke mededeling gedurende welke periode dat verblijf - volgens de wettelijke bepalingen - met behoud van bijstand is toegestaan en welke gevolgen zijn verbonden aan een langer verblijf buitenslands. De in de brief van 4 april 2006 vervatte mededeling over de toegestane vakantieduur strekt er slechts toe appellant eraan te herinneren dat de voortzetting van de bijstand bij verblijf in het buitenland in tijd is begrensd. Naar het oordeel van de Raad is die brief niet gericht op enig rechtsgevolg en brengt zij (nog) geen wijziging in de bestaande rechtspositie van betrokkene. Dit gebeurt eerst indien duidelijk is dat appellant is vertrokken, hoe lang hij feitelijk in het buitenland heeft verbleven en/of daarbij de maximaal geldende vakantieduur is overschreden.

4.2. Anders dan het College en de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat de brief van 4 april 2006 niet als besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden aangemerkt, zodat het daartegen gerichte bezwaar niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. De rechtbank heeft dit niet onderkend zodat de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het besluit van 11 juli 2006 gegrond verklaren, dat besluit vernietigen en het tegen de brief van 4 april 2006 gerichte bezwaar, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.

4.3. In het voorgaande ligt besloten dat de aangevallen uitspraak voor zover deze ziet op het beroep tegen het besluit van

1 augustus 2006 evenmin kan standhouden. Het besluit van 7 juni 2006 (houdende tijdelijke uitsluiting van het recht op bijstand) is immers onmiskenbaar op rechtsgevolg gericht, zodat de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar door de rechtbank in beroep ten onrechte in stand is gelaten. Ook in zoverre komt de aangevallen uitspraak derhalve voor vernietiging in aanmerking, evenals het besluit van 1 augustus 2006. De Raad ziet voorts, gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Daartoe overweegt de Raad het volgende.

4.4. Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d, van de WWB, heeft geen recht op bijstand degene die per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland dan wel een aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland. In artikel 13, vierde lid, van de WWB is bepaald dat in afwijking van het eerste lid, onderdeel d, voor personen van 57,5 jaar en ouder doch jonger dan 65 jaar, aan wie op grond van artikel 9, tweede lid, ontheffing is verleend van de verplichtingen bedoeld in artikel 9, eerste lid, alsmede voor personen van 65 jaar of ouder, een periode geldt van 13 weken.

4.5. Appellant heeft zich erop beroepen dat in zijn geval een ongerechtvaardigd onderscheid naar leeftijd wordt gemaakt nu hij feitelijk in dezelfde positie verkeert als de persoon van 57,5 jaar zonder arbeidsverplichtingen en hij niettemin slechts voor vier weken in plaats van dertien weken met behoud van bijstand in het buitenland mag verblijven.

4.6. De Raad kan appellant daarin niet volgen. Allereerst is in het besluit van 27 juni 2005 waarbij appellant van de arbeidsverplichtingen werd ontheven onmiskenbaar een tijdsbepaling opgenomen en was appellant - zeker nadat op 29 maart 2006 met hem een gesprek had plaatsgevonden over de onderzoeksbevindingen van het WOSM en het inzetten van een re-integratietraject - ervan op de hoogte dat de ontheffing van de arbeidsverplichtingen voor hem niet langer gold. Dat appellant er na 20 september 2005 (de datum van het arbeidsmedisch onderzoek) niet meer schriftelijk op is geattendeerd dat vanaf die datum de - van rechtswege geldende - verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB weer op hem van toepassing waren, doet daaraan niet af. Het gegeven dat appellant nadien bij besluit van 9 maart 2007 wederom tijdelijk (deels) van de arbeidsverplichtingen is ontheven werpt evenmin een ander licht op de zaak, teminder nu dit op deels andere gronden dan voorheen is gebeurd. Nu vaststaat dat appellant ten tijde in geding niet van de verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB was ontheven, kan niet worden gesproken van gelijke gevallen en slaagt de grief van appellant ter zake van ongeoorloofd onderscheid naar leeftijd niet.

4.7. Dit betekent dat het College het recht op bijstand van appellant ten tijde in geding terecht met toepassing van artikel 13, eerste lid, onder d, van de WWB heeft vastgesteld en appellant op goede gronden van het recht op bijstand heeft uitgesloten over de periode van 25 april 2006 tot en met 14 mei 2006.

4.8. Uit de onderdelen 4.6 en 4.7 vloeit voort dat het bezwaar tegen het besluit van 7 juni 2006 ongegrond dient te worden verklaard.

4.9. De Raad ziet tot slot aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep, voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt de besluiten van 11 juli 2006 en 1 augustus 2006;

Verklaart het bezwaar tegen de brief van 4 april 2006 niet-ontvankelijk;

Verklaart het bezwaar tegen het besluit van 7 juni 2006 ongegrond;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente Velsen; Bepaalt dat de gemeente Velsen aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 144,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en C. van Viegen en H.C.P. Venema als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 december 2008.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

IJ