Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG7243

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-12-2008
Datum publicatie
19-12-2008
Zaaknummer
07-4904 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvang bezwaartermijn. Ongeloofwaardige ontkenning ontvangst. Verzending aannemelijk.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2009, 314 met annotatie van A. Tollenaar
ABkort 2009/11
JB 2009/48
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4904 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 1 augustus 2007, 07/408 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College)

Datum uitspraak: 16 december 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Brouwer, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Brouwer. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. van Beveren, werkzaam bij de gemeente Utrecht.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 18 september 2003 heeft het College de bijstand die aan W.C. [J.] (hierna: [J.]) is verstrekt, ingetrokken met ingang van 1 juli 1997. Tevens zijn de kosten van de aan [J.] verleende bijstand over de periode van

1 juli 1997 tot en met 27 oktober 2002 tot een bedrag van € 64.505,78 van haar teruggevorderd en met toepassing van

artikel 84, tweede lid, van de Algemene bijstandswet mede van appellant teruggevorderd.

1.2. De gemeente Utrecht heeft het besluit van 18 september 2003 bij deurwaardersexploit van 17 oktober 2006 aan appellant laten betekenen.

1.3. Bij brief van 23 oktober 2006 is namens appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van 18 september 2003.

1.4. Bij besluit van 18 januari 2007 heeft het College het bezwaar wegens overschrijding van de termijn voor het maken van bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het namens appellant daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3.1. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij ontkent de ontvangst van het besluit van 18 september 2003 op het adres [adres 1] te [plaatsnaam], het adres waar hij volgens de gemeentelijke basisadministratie sinds 31 mei 2002 staat ingeschreven. Volgens hem heeft hij pas bij de betekening van dat besluit op 17 oktober 2006 er van kennis kunnen nemen, zodat naar zijn mening eerst op dat moment de termijn voor het maken van bezwaar is aangevangen.

3.2. Volgens het College is het besluit van 18 september 2003 op 9 oktober 2003 verzonden naar zowel het adres van [J.] ([adres 2] te [plaatsnaam]) als naar het adres [adres 1] en heeft appellant kennis kunnen nemen van het ook aan hem gerichte besluit. Dat appellant het besluit niet zou hebben gelezen omdat het besluit niet alleen aan hem is gericht, is voor het College geen argument om de te late indiening van het bezwaarschrift te pardonneren.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient - in geval van toezending van een besluit - voor de vaststelling dat aan de wettelijke voorwaarde voor het aanvangen van de bezwaartermijn is voldaan, zowel de verzending als de aanbieding van de zending (aan het juiste adres) vast te staan dan wel voldoende aannemelijk te zijn gemaakt. Daarbij geldt dat niet is uitgesloten dat ook langs andere weg dan aangetekende verzending per TNT Post kan worden aangetoond dan wel voldoende aannemelijk gemaakt dat aan deze vereisten is voldaan. Indien het gaat om gevallen waarin uit de beschikbare gegevens volgt dat de belanghebbende het besluit wel eerder moet hebben ontvangen en de ontkenning van die eerdere ontvangst dus als ongeloofwaardig moet worden bestempeld, wordt niet alleen die ontvangst aannemelijk geacht, maar - zonder nader bewijs - ook de verzending. Het gaat dan met name om gevallen waarin naar aanleiding van dat besluit door de belanghebbende handelingen zijn verricht of om informatie is gevraagd, zoals bijvoorbeeld een verzoek om inzage van stukken die aan dat besluit ten grondslag hebben gelegen, waaruit moet worden afgeleid dat de aanbieding van het poststuk met het besluit aan het adres van de belanghebbende wel heeft plaatsgevonden. Hiervan is sprake in het geval van appellant. Naar het oordeel van de Raad is aannemelijk geworden dat het besluit van 18 september 2003 op 9 oktober 2003 is verzonden en dat de zending op 10 oktober 2003 is aangeboden aan het adres van appellant. De Raad hecht daarbij in de eerste plaats betekenis aan de rapportage van 28 oktober 2003 van M.L. Lelieveld, werkzaam bij Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Utrecht (hierna: SZW). Daarin is vermeld dat appellant naar aanleiding van het besluit van 18 september 2003 telefonisch contact met haar heeft opgenomen. In eerste instantie wilde appellant inzage hebben in het rapport waarop dat besluit was gebaseerd. In tweede instantie gaf hij te kennen dat hij de brief (met daarin het besluit) niet had geopend omdat die zowel aan hem als aan [J.] was gericht. Appellant zou of had de brief aan SZW geretourneerd, maar wenste niettemin inzage in zijn dossier. Voorts acht de Raad van belang dat uit de gedingstukken blijkt dat op 10 oktober 2003 een aan appellant en [J.] gerichte en aan de [adres 1] te [plaatsnaam] geadresseerde enveloppe met daarin het besluit van 18 september 2003 bij de receptie van SZW is afgegeven en dat in dat besluit 9 oktober 2003 als verzenddatum is vermeld.

4.3. Gelet op hetgeen onder 4.2 is overwogen kan als vaststaand worden aangenomen dat de termijn voor het maken van bezwaar is aangevangen op 10 oktober 2003. De laatste dag waarop een bezwaarschrift kon worden ingediend was 21 november 2003. Aangezien appellant eerst bij brief van 23 oktober 2006 tegen het besluit van 18 september 2003 bezwaar heeft gemaakt stelt de Raad vast dat ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift de termijn om bezwaar te maken ruimschoots was verstreken. In hetgeen appellant heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. Het College heeft het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 september 2003 daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.

4.4. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en J.J.A. Kooijman en H.C.P. Venema, als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 december 2008.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) A. Badermann.

IJ