Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG7217

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-12-2008
Datum publicatie
23-12-2008
Zaaknummer
07-1292 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Arbeidskundige grondslag van besluit vormt geen zelfstandig deelbesluit. Omvang geding. Niet alle verborgen beperkingen in de geduide functies zijn verklaard. Ook in de in hoger beroep ingebrachte arbeidskundige rapportages ontbreekt de vereiste toelichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/1292 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 25 januari 2007, 06/4463 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Naam betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 12 december 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene is door mr. P.J. de Rooij, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2008. Voor appellant is verschenen mr. W.P.T. Oosterbos. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 26 april 2006 heeft appellant de aan betrokkene toegekende WAO-uitkering die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, per 27 juni 2006 herzien. Met ingang van deze datum wordt de uitkering van betrokkene berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

1.2. Bij besluit van 17 juli 2006 heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 26 april 2006 ongegrond verklaard.

1.3. Aan deze besluitvorming ligt ten grondslag een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 13 januari 2006. Blijkens deze FML zijn er voor betrokkene arbeidsbeperkingen aangenomen. Betrokkene is onder meer beperkt geacht met betrekking tot het aspect “staan tijdens werk” (item 4.19). Betrokkene kan tot ongeveer 2 uur per dag staan. Blijkens de FML is betrokkene normaal te belasten op de items 4.9 “Frequent reiken tijdens het werk”, 4.15 “Frequent lichte voorwerpen hanteren tijdens het werk” en 5.7 “Boven schouderhoogte actief zijn”, zij het dat de verzekeringsarts hierbij als toelichting heeft aangegeven dat betrokkene links licht beperkt is. Dit laatste houdt verband met beperkingen van de niet dominante linkerarm van betrokkene.

1.4. Met inachtneming van de FML is betrokkene in staat geacht de functies van telefonist, receptionist (Sbc-code 315120), loketbediende (Sbc-code 316011) en controleur, tester elektrotechnische apparatuur (Sbc-code 267060) te vervullen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank met beslissingen omtrent griffierecht en proceskosten het beroep gegrond verklaard en het arbeidskundige gedeelte van het besluit van 17 juli 2006 vernietigd, dit besluit voor het overige in stand gelaten, appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van betrokkene en het door betrokkene gedane verzoek om schadevergoeding afgewezen.

2.1. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat de beperkingen van betrokkene voldoende zijn verwoord in de FML van

13 januari 2006. De rechtbank heeft derhalve geen aanleiding gezien het medische standpunt van appellant voor onjuist te houden.

2.2. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het besluit van 17 juli 2006 heeft de rechtbank in haar uitspraak, waarin appellant is aangeduid als verweerder en betrokkene als eiser, onder meer het volgende overwogen:

“De rechtbank heeft de functiebelasting van de geduide functies vergeleken met de door de verzekeringsarts opgestelde FML. De rechtbank constateert dat op het formulier resultaat functiebeoordeling signaleringen [M, G en *] voorkomen. Voorts stelt de rechtbank vast dat de FML verborgen beperkingen kent. Zoals onder 2.3 is overwogen dient ten aanzien van al deze signaleringen en verborgen beperkingen te worden toegelicht waarom de geduide functies door eiser kunnen worden verricht.

De rechtbank stelt vast dat eerst in beroep alle signaleringen zijn toegelicht; en wel door de bezwaararbeidsdeskundige bij de rapporten van 11 september 2006, 29 november 2006 en 3 december 2006. De rechtbank acht deze toelichting echter niet toereikend om de twijfels omtrent de passendheid van de geduide functie van loketbediende (SBC-code 316011) ten aanzien van het aspect staan weg te nemen. Daarbij overweegt de rechtbank dat de door de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport van 11 september 2006 gegeven toelichting op dit aspect niet rijmt met de in het gedingstuk `resultaat functiebeoordeling' aangegeven belasting. Zo heeft de bezwaararbeidsdeskundige gesteld dat in deze functie minder dan twee uren per dag hoeft te worden gestaan hetgeen de belastbaarheid van eiser zoals aangegeven in de FML, inhoudende dat hij ongeveer twee uren per (werk)dag kan staan, niet overschrijdt. Uit het gedingstuk `resultaat functiebeoordeling' leidt de rechtbank af dat in deze functie weliswaar dagelijks niet meer dan ongeveer een uur moet worden gestaan, echter niet dagelijks dient ongeveer vier uren per dag gestaan te worden. Gelet hierop acht de rechtbank het dan ook niet uitgesloten dat deze functie niet binnen de belastbaarheid van eiser valt. Nu de bezwaararbeids-deskundige hieromtrent evenwel geen nadere toelichting heeft gegeven in voormeld rapport, is de rechtbank van oordeel dat verweerder de geschiktheid van eiser voor de functie van loketbediende onvoldoende adequaat heeft gemotiveerd. De rechtbank acht de passendheid van de functie van loketbediende dan ook niet afdoende inzichtelijk.

Voorts overweegt de rechtbank nog dat niet alle verborgen beperkingen in de geduide functies zijn verklaard. In de functie van telefonist, receptionist (SBC-code 315120) geldt dit met betrekking tot de aspecten 4.9 (reiken), 4.15 (tillen) en 5.7 (bovenschouder actief zijn) en in de functie van loketbediende (SBC-code 316011) is hiervan sprake ten aanzien van de aspecten 4.9 (reiken) en 4.15 (tillen). In de functie van controleur, tester elektrotechnische apparatuur (SBC-code 267060) betreft het voorts de aspecten 4.9 (reiken) en 5.7 (bovenschouder actief zijn).

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat het beroep gegrond moet worden verklaard en het bestreden besluit, wegens strijd met de rechtsregel dat een bestreden besluit op een deugdelijke motivering berust (artikel 7:12, eerste lid, van de Awb), dient te worden vernietigd.”

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep over en weer hebben gesteld, overweegt de Raad allereerst dat het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het besluit van 17 juli 2006 niet in geschil is, nu betrokkene geen hoger beroep heeft ingesteld. De Raad verwijst hierbij naar zijn uitspraak van 22 oktober 2008 (LJN BG1621).

3.1. Het oordeel van de rechtbank over de arbeidskundige grondslag van het besluit van 17 juli 2006 onderschrijft de Raad. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat ook de in de geduide functies voorkomende belastingen op de items 4.9, 4.15 en 5.7 van een toelichting hadden moeten worden voorzien, nu de verzekeringsarts in de FML bij wijze van toelichting op deze items een beperking heeft aangenomen. De Raad verwijst hierbij naar zijn uitspraak van 6 juni 2008 (LJN BD3725). De Raad stelt vast dat de vereiste toelichting ontbreekt, ook in de in hoger beroep ingebrachte arbeidskundige rapportages.

3.2. Met betrekking tot de in de functie van loketbediende voorkomende belasting van staan, niet dagelijks gedurende niet meer dan ongeveer 4 uren, heeft de bezwaararbeidsdeskundige W.L. Wijngaards in een rapportage van 19 februari 2007 het volgende gesteld:

“Uit de functiebeschrijving blijkt dat er volgens een vastgesteld rooster in dagdelen op verschillende locaties gewerkt wordt. Uit de beschrijving blijkt dat gezeten of gestaan wordt aan de balie. Bij het aspect zitten wordt aangegeven dat dit afhankelijk van de locatie afgewisseld kan worden met staan. Dit houdt m.i. ook in dat dit andersom mogelijk is, dus staan afgewisseld kan worden met zitten. Zou overigens de balie te hoog zijn waardoor gestaan zou moeten worden, dan kan door middel van een verhoogde draaistoel, welke algemeen gebruikelijk is en welke als voorziening zo nodig in redelijkheid van een werkgever te vragen is, het staan omgezet worden in zitten zonder dat dit de werkzaamheden hoe dan ook beperkt.”

3.3. De Raad acht deze toelichting niet te rijmen met het gegeven dat het resultaat functiebeoordeling uitdrukkelijk vermeldt dat er gedurende niet meer dan ongeveer vier uren wordt gestaan, zij het - afhankelijk van de locatie - niet dagelijks. Dat bij het aspect zitten wordt vermeld dat het zitten kan worden afgewisseld met staan, maakt dit niet anders, te minder nu deze afwisseling kennelijk ook afhankelijk is van de locatie. Waarom het gaat is of op de locatie of locaties waar gedurende ongeveer vier uren per dag wordt gestaan de werkzaamheden voor een belangrijk deel ook zittend kunnen worden verricht en wel in die mate dat het staan kan worden beperkt tot ongeveer twee uren per dag. Dat dit tot de mogelijkheden behoort, is niet gebleken. De hiervoor weergegeven toelichting acht de Raad dan ook niet toereikend.

3.4. Uit het hiervoor overwogene volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt.

3.5. Hiermede is evenwel niet gegeven dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. De Raad kan zich namelijk niet verenigen met de beslissingen van de rechtbank om het arbeidskundige gedeelte van het besluit van 17 juli 2006 te vernietigen en om dit besluit voor het overige in stand te laten. De arbeidskundige grondslag van dit besluit vormt geen zelfstandig deelbesluit.

4. De Raad acht tot slot termen aanwezig appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep, tot een bedrag van € 322,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij het arbeidskundige gedeelte van het besluit van 17 juli 2006 is vernietigd en dit besluit voor het overige in stand is gelaten;

Vernietigt het besluit van 17 juli 2006;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt mede met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een recht van € 422,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en G.J.H. Doornewaard en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 december 2008.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) A.C. Palmboom.

KR