Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG7135

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-12-2008
Datum publicatie
23-12-2008
Zaaknummer
07/2125 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Is sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid? Medische en arbeidskundige grondslag berusten op onvoldoende deugdelijke motivering. Onvoldoende rekening gehouden met uit de persoonlijkheidsstoornis voortvloeiende beperkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2125 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 23 maart 2007, 06/3315 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 december 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2008. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is werkzaam geweest als beroepsmilitair en is voor dat werk in 1992 uitgevallen met psychische klachten, in verband waarmee hij vanaf 1993 een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt, vanaf 1998 op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), aanvankelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, maar sinds 1 juni 1997 naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%. Aan deze herziening van de WAO-uitkering lag ten grondslag een rapport d.d. 1 januari 1997 van de psychiater M. Kuilman en een op basis van dit rapport opgesteld belastbaarheidspatroon van 14 februari 1997, waarin onder meer is opgenomen dat bij door appellant te verrichten werkzaamheden, conflicterende functie-eisen zo veel mogelijk vermeden moeten worden.

1.2. Bij besluit van 11 juli 2005 heeft het Uwv per 8 maart 2004 de WAO-uitkering van appellant, na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken, herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45%. Bij besluit van 3 juli 2006 zijn de bezwaren van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard. Aan de herziening van de uitkering ligt ten grondslag dat appellant in staat wordt geacht om met zijn beperkingen in voor hem geschikte gangbare functies een zodanig inkomen te verwerven, dat zijn verlies aan verdiencapaciteit ongeveer 38,9% bedraagt.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 3 juli 2006 ongegrond verklaard. De rechtbank kan zich blijkens de overwegingen van de aangevallen uitspraak verenigen met de medische en de arbeidskundige grondslag van het besluit.

3. In hoger beroep heeft appellant onder meer aangevoerd dat de verzekeringsgenees-kundige beoordeling onzorgvuldig was en dat vooral zijn psychische beperkingen zijn onderschat. Appellant acht zich met name gesteund door het in de bezwaarfase ingebrachte rapport van de psychiater M.J. van Weers van 23 januari 2006 en meent dat hij volledig arbeidsongeschikt is. Ter zitting van de Raad heeft appellant nog aangevoerd dat al eerder is gebleken dat één van de uiteindelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functies, die van administratief medewerker, voor hem niet geschikt is.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Ten aanzien van de medische beoordeling door het Uwv stelt de Raad vast dat appellant door de aan het Uwv verbonden arts C.J. van Burik op 5 april 2005 is onderzocht, nadat hij om herbeoordeling van zijn mate van arbeidsongeschiktheid had verzocht in verband met verslechtering van zijn gezondheidstoestand als gevolg van met name gewrichtsklachten, arbitrair sinds 10 maart 2003. Deze arts heeft vervolgens een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld, met daarin opgenomen arbeidsbeperkingen die samenhangen met de fysieke klachten van appellant en één beperking die samenhangt met zijn persoonlijk functioneren, inhoudende dat appellant is aangewezen op werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken. De bezwaarverzekeringsarts H.M.Th. Offermans, die zich alleen heeft gebaseerd op dossierstudie, heeft zich kunnen vinden in de genoemde FML en geen extra of zwaardere beperkingen noodzakelijk geacht. Met betrekking tot het rapport van de psychiater Van Weers heeft de bezwaarverzekeringsarts gesteld dat deze ten onrechte de conclusie heeft getrokken dat appellant op basis van zijn persoonlijkheidsstoornis volledig arbeidsongeschikt zou zijn. In zijn rapportage van 18 oktober 2006 heeft de bezwaarverzekeringsarts hier aan toegevoegd dat de psychiater geen zogenoemd As I psychiatrisch toestandbeeld bij appellant heeft gevonden en dat voldoende rekening is gehouden met de beperkingen die voortvloeien uit zijn persoonlijkheidsstoornis, ook nu appellant kennelijk met die stoornis in staat was om een militaire loopbaan van circa 20 jaar te doorlopen.

4.2. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant op 1 maart 1993 uit de militaire dienst is ontslagen wegens ziekte of gebreken in de vorm van een met de dienst onverenigbare karakterstructuur. Tevens blijkt dat in 1996 door de psychiater Kuilman bij appellant een neurotische persoonlijkheidsstoornis is gediagnosticeerd, wat ertoe heeft geleid dat bij appellant door het Uwv destijds meerdere psychische beperkingen zijn vastgesteld, onder meer samenhangend met conflicterende functie-eisen en conflicthantering. De psychiater Van Weers heeft in januari 2006 aan het ABP gerapporteerd dat hij de analyse van Kuilman deelt. Hij meent dat appellant een karakterneurose heeft ontwikkeld en dat sprake is – op de DSM-IV As II – van ernstige persoonlijkheidsproblematiek, met kenmerken van een cluster C persoonlijkheidsstoornis. Van Weers stelt daarbij onder meer dat appellant gevoelig is voor kritiek en afwijzing, sterke behoefte heeft aan steun en waardering en gebrekkig zelfstandig is.

4.3. De Raad acht het op basis van het rapport van Van Weers aannemelijk dat bij appellant op grond van zijn persoonlijkheidsproblematiek, door de psychiater gekenschetst als persoonlijkheidsstoornis, arbeidsbeperkingen bestaan, die het gevolg zijn van ziekte of gebreken van appellant. Door de bezwaarverzekeringsarts is echter in zijn rapport van februari 2006 gesteld dat er geen aanleiding is om appellant als gevolg daarvan volledig arbeidsongeschikt te achten en in zijn rapport van oktober 2006 dat met uit de persoonlijkheidsstoornis voortvloeiende beperkingen voldoende rekening is gehouden. Deze visie van de bezwaarverzekeringsarts is echter naar het oordeel van de Raad niet deugdelijk onderbouwd. In het geheel is niet gemotiveerd waarom met het opnemen van slechts één beperking ten aanzien van het persoonlijk functioneren van appellant voldoende aan de analyse van Van Weers is tegemoet gekomen. Dit klemt naar het oordeel van de Raad te meer, nu in 1996 wel meer beperkingen zijn opgenomen, waaronder bijvoorbeeld beperkingen die verband houden met conflicterende functie-eisen en conflicthantering, en meerdere nu aan de schatting ten grondslag gelegde functies een bijzondere belasting kennen op het aspect ‘omgaan met conflicten’.

4.4. Uit het vorenoverwogene volgt dat zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van de beslissing van het Uwv om de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 8 maart 2004 op 35 tot 45% te stellen, niet berust op een deugdelijke motivering. Het Uwv zal met met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op de bezwaren van appellant dienen te beslissen. Daarbij wijst de Raad appellant erop, dat dit nog niet betekent dat hij recht heeft op een WAO-uitkering naar een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse.

5. Dit brengt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het beroep van appellant tegen het besluit van 3 juli 2006 is gegrond, de Raad zal dat besluit vernietigen en het Uwv opdragen een nieuw besluit op de bezwaren van appellant te nemen.

6. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 3 juli 2006;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 143,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 december 2008.

(get.) A.T. de Kwaasteniet.

(get.) A.C.A. Wit.

GdJ