Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG7053

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-12-2008
Datum publicatie
17-12-2008
Zaaknummer
07-3603 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag bijstand. Geen relevante wijziging in de feiten en/of omstandigheden van appellante sinds de afwijzing van haar bijstandsaanvraag. Per 23 december 2005 was onveranderd sprake van een loondienstverhouding tussen appellante en [werkgever] en dat appellante, gelet daarop, een beroep kon doen op een voorliggende voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3603 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 7 juni 2007, 06/3155 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College)

Datum uitspraak: 9 december 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.C. Lugard-van Beijma, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Lugard-van Beijma. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C. van den Voorn, werkzaam bij de gemeente Utrecht.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante werkte sinds 1990 bij [naam werkgever] te [vestigingsplaats] (hierna: [werkgever]). Zij had een arbeidsovereenkomst voor 28,43 uur per week. Op 7 november 2002 meldde appellante zich ziek wegens psychische klachten.

[werkgever] betaalde haar salaris door gedurende 52 weken na haar ziekte-uitval. Appellante vroeg vervolgens, ingaande

7 november 2003, een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aan. Het UWV weigerde een WAO-uitkering toe te kennen omdat appellante niet geacht werd 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt te zijn geweest. Appellante ging hiertegen in beroep. Dit beroep is bij uitspraak van de rechtbank Utrecht van 10 augustus 2005 (SBR 04/2694) ongegrond verklaard. Het daartegen ingestelde hoger beroep is bij uitspraak van de Raad van

15 december 2006 (05/6073 WAO) niet-ontvankelijk verklaard vanwege een niet verschoonbare termijnoverschrijding.

1.2. Appellante diende op 17 mei 2004 een aanvraag in om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 5 augustus 2004 weigerde het College aan appellante bijstand toe te kennen wegens een voorliggende voorziening, namelijk een arbeidsovereenkomst bij [werkgever] op basis waarvan [werkgever] verplicht was tot doorbetaling van salaris. Het hiertegen ingediende bezwaar van appellante is

ongegrond verklaard.

1.3. Appellante diende op 10 september 2004 wederom een aanvraag in om bijstand.

Deze aanvraag is afgewezen onder verwijzing naar het besluit van 5 augustus 2004 met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Haar bezwaar hiertegen is ongegrond verklaard.

1.4. Appellante heeft tegen beide besluiten op bezwaar van respectievelijk 7 en 16 december 2004 beroep ingesteld. Deze beroepen zijn bij uitspraak van de rechtbank Utrecht van 3 augustus 2005 (SBR 05/107 en 05/109) ongegrond verklaard. Appellante is niet in hoger beroep gegaan.

1.5. Op 23 december 2005 diende appellante de in geding zijnde aanvraag om bijstand in. Bij besluit van 23 december 2005 weigerde het College bijstand toe te kennen met toepassing van artikel 4:6 van de Awb onder verwijzing naar het besluit van 5 augustus 2004.

1.6. Bij besluit van 28 juli 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 23 december 2005 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen inzake proceskosten en griffierecht - het beroep gegrond verklaard, het besluit van 28 juli 2006 vernietigd wegens strijd met de wet en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt eerst vast dat in geschil is het recht op bijstand ingaande 23 december 2005. Van de zijde van het College is ter zitting verklaard dat de per 1 juni 2006 aan appellante toegekende WWB-uitkering verband houdt met de ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen appellante en [werkgever] met ingang van 1 juni 2006 bij beschikking van de kantonrechter van 29 mei 2006.

4.2. Naar vaste rechtspraak van de Raad ligt het in een geval, waarin een nieuwe aanvraag voorligt na een eerdere beƫindiging van bijstandsverlening of een eerdere afwijzing van een bijstandsaanvraag, in het algemeen op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat zich sedert die beƫindiging of afwijzing een relevante wijziging in de omstandigheden heeft voorgedaan, in die zin dat deze thans wel voldoet aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen. Het onderhavige geding spitst zich derhalve toe op de beantwoording van de vraag of per 23 december 2005 sprake is van een relevante wijziging in de feiten en/of omstandigheden van appellante sinds de afwijzing van haar bijstandsaanvraag in september 2004.

4.3. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak dat noch het rapport van psychiater

D. Kok van 28 april 2006 noch de brief van psychiater D.P.J. Gerling van 11 mei 2007 een relevante wijziging in de feiten en/of omstandigheden oplevert als hiervoor onder 4.2 bedoeld en maakt de daarover gemaakte overwegingen van de rechtbank tot de zijne. De namens appellante in hoger beroep ingebrachte medische informatie, met onder meer de onderzoeksresultaten van sociaal-psychiatrisch behandelcentrum Altrecht te Nieuwegein waarbij op 8 april 2008 de diagnose ASS (Autismespectrumstoornis) is vastgesteld, maakt dit niet anders. Deze medische informatie is te beschouwen als een (verdere) onderbouwing van de door appellante in mei 2004 gestelde arbeidsongeschiktheid en is geen relevant nieuw feit in boven aangeduide zin.

4.4. De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat per 23 december 2005 onveranderd sprake was van een loondienstverhouding tussen appellante en [werkgever] en dat appellante, gelet daarop, een beroep kon doen op een voorliggende voorziening.

4.5. De Raad merkt tot slot op dat de schuldsanering van appellante, ten tijde in geding, niet kan worden aangemerkt als een voor het recht op bijstand relevante (gewijzigde) omstandigheid.

4.6. Hetgeen hiervoor onder 4.3 tot en met 4.5 is overwogen leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

4.7. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en R.H.M. Roelofs en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 december 2008.

(get.) C. van Viegen.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

IJ