Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG6897

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-12-2008
Datum publicatie
17-12-2008
Zaaknummer
07-243 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking (volledige) WAO-uitkering. Terugvordering. Schending redelijke termijn. Vergoeding van immateriële schade van € 1.000, -. Rechtsgevolgen blijven in stand. De imperatieve redactie van artikel 57, tweede lid, van de WAO brengt met zich dat het Uwv in beginsel gehouden is de uitkering die onverschuldigd is betaald terug te vorderen. Niet in strijd met het verbod van ‘reformatio in peius’.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:11
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 57
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2009/42
JB 2009/61
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/243 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 december 2006, 05/2799 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak:12 december 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D.J.B. de Wolff, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2008. Voor appellante is haar gemachtigde verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.A.H. Smithuysen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 19 mei 2000 is door (een rechtsvoorganger van) het Uwv aan appellante met ingang van 14 januari 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Bij besluit van 27 augustus 2001 is de WAO-uitkering van appellante met ingang van 16 april 2001 ingetrokken, onder de overweging dat appellante met ingang van laatstgenoemde datum niet langer arbeidsongeschikt wordt geacht.

1.3. Bij besluit van 7 november 2002 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 27 augustus 2001 ongegrond verklaard. Tegen het besluit van 7 november 2002 heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend.

1.4. Bij besluit van 27 oktober 2003 heeft het Uwv met toepassing van artikel 57 van de WAO van appellante teruggevorderd een bedrag van € 1.585,35 ter zake van hetgeen op grond van die wet onverschuldigd aan haar over de periode van 14 juli 2001 tot 1 september 2001 was betaald.

1.5. Appellante heeft tegen het besluit van 27 oktober 2003 bezwaar gemaakt. Dit bezwaarschrift is op 9 december 2003 door het Uwv ontvangen.

1.6. Bij besluit van 6 mei 2004 heeft het Uwv het besluit van 27 oktober 2003 ingetrokken en een bedrag van € 5.843,17 ter zake van aan appellante onverschuldigd over de periode van 16 april 2001 tot 1 september 2001 betaalde WAO-uitkering teruggevorderd. Bij brief van 11 mei 2004 heeft het Uwv meegedeeld dat het bezwaar van appellante tegen het besluit van 27 oktober 2003 wordt geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 6 mei 2004.

1.7. Bij brief van 26 mei 2004 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het besluit van 6 mei 2004. Op 28 juni 2004 verstrekte appellante informatie over haar gestelde schulden

1.8. Bij besluit van 4 oktober 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 mei 2004 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante, samengevat, aangevoerd dat het bestreden besluit is gebaseerd op een onrechtmatig moederbesluit (van 27 augustus 2001). Bovendien kon het appellante redelijkerwijs niet duidelijk zijn dat sprake was van door het Uwv onverschuldigd betaalde WAO-uitkering. Voorts heeft het Uwv gehandeld in strijd met het verbod van ‘reformatio in peius’, omdat het Uwv bij het bestreden besluit een hoger bedrag van appellante heeft teruggevorderd dan het bij het besluit van 27 oktober 2003 van haar teruggevorderde bedrag. Appellante heeft verder gesteld dat het Uwv ten onrechte in haar financiële situatie geen dringende redenen heeft aangenomen om van terugvordering af te zien. Daarbij is ook gewezen op de trage besluitvorming van de zijde van het Uwv. Ten slotte heeft appellante verzocht het Uwv te veroordelen tot een -door de Raad in goede justitie te bepalen- vergoeding terzake van immateriële schade die appellante heeft geleden in verband met de duur van de procedure die naar haar mening in strijd is met artikel 6 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellante gesteld dat deze strijd verband houdt met het aandeel van het Uwv in de duur van de procedure.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Het gaat in dit geding om de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Op grond van het volgende beantwoordt de Raad deze vraag ontkennend.

4.2. De Raad stelt vast dat in het onderhavige geval de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, start op 9 december 2003, de dag waarop het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 27 oktober 2003 heeft ontvangen. De Raad doet op 12 december 2008 uitspraak. Mitsdien heeft de procedure ruim vijf jaar geduurd. De Raad is van oordeel dat daardoor de in artikel 6 van het EVRM bedoelde redelijke termijn is overschreden. Daarbij is in aanmerking genomen dat de onderhavige zaak niet als complex is aan te merken en in de opstelling van appellante geen rechtvaardiging is aangetroffen voor de lange duur van de procedure. Nu het Uwv eerst bij het bestreden besluit (van 4 oktober 2005) de uiteindelijke beslissing heeft genomen op het op 9 december 2003 ontvangen bezwaar, is de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM ook naar het oordeel van de Raad een gevolg van een -door het Uwv ter zitting erkende- niet verontschuldigbare traagheid in de besluitvorming door het bestuursorgaan.

4.3. Bij de onder 4.2 geschetste omstandigheden moet het beroep tegen het bestreden besluit gegrond worden verklaard en dient dit besluit wegens strijd met artikel 6 van het EVRM te worden vernietigd. Gelet op de duur van de overschrijding van de redelijke termijn komt appellante naar het oordeel van de Raad ter compensatie van ervaren spanning en frustratie een vergoeding van immateriële schade toe van € 1.000, -. Deze schadevergoeding dient te worden betaald door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Om deze reden dient ook de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, te worden vernietigd.

4.4. De Raad heeft zich voorts beraden over de vraag of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in stand kunnen blijven en beantwoordt deze vraag op grond van het navolgende bevestigend.

4.4.1. De Raad stelt, evenals de rechtbank, vast dat appellante geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen het besluit van 7 november 2002, zodat dit besluit formele rechtskracht heeft gekregen. Daarmee staat vast dat het Uwv ingaande 16 april 2001 onverschuldigd aan appellante heeft betaald. De imperatieve redactie van artikel 57, tweede lid, van de WAO brengt met zich dat het Uwv in beginsel gehouden is de uitkering die onverschuldigd is betaald terug te vorderen. De vraag of het appellante destijds redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat aan haar over de periode ingaande 16 april 2001 onverschuldigd bedragen aan uitkering zijn betaald, speelt, anders dan vóór de inwerkingtreding van de Wet Boeten, Maatregelen, terug- en invordering sociale zekerheid met ingang van 1 augustus 1996, geen rol meer. De van een andere rechtsopvatting uitgaande grieven van appellante behoeven daarom geen bespreking.

4.4.2. Met betrekking tot de grief dat het Uwv heeft gehandeld in strijd met het verbod van ‘reformatio in peius’ overweegt de Raad als volgt.Het bestreden besluit bevat een hoger terugvorderingsbedrag dan in het besluit van 27 oktober 2003 was neergelegd. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 26 mei 2003 ( LJN AH8564) overweegt de Raad dat het Uwv op grond van artikel 57, eerste lid, van de WAO in beginsel gehouden was om tot terugvordering tot het hogere bedrag over te gaan. In dat geval verzet het bepaalde in artikel 7:11, eerste lid, van de Awb zich er niet tegen dat bij hangende de bezwaarprocedure een nieuw besluit een voor belanghebbende nadeliger beslissing wordt genomen. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat appellante zowel in bezwaar als in beroep en ook in hoger beroep in de gelegenheid is geweest haar grieven tegen het nieuwe besluit naar voren te brengen. Appellante is daarom niet op ontoelaatbare wijze in haar verweermogelijkheden geschaad.

4.4.3. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat geen sprake is van dringende redenen, als bedoeld in artikel 57, vierde lid, van de WAO, die het Uwv aanleiding hadden moeten geven om van gehele of gedeeltelijke terugvordering af te zien. De Raad onderschrijft de daartoe in de aangevallen uitspraak door de rechtbank gebezigde overwegingen. De Raad voegt hier nog aan toe dat de door appellante naar voren gebrachte omstandigheid dat te lang getalmd is met het nemen van een terugvorderingsbesluit geen dringende reden oplevert. Voorts heeft de Raad meegewogen dat de gemachtigde van appellante weliswaar tijdens het onderzoek ter zitting heeft aangegeven dat appellante toentertijd schulden in de familiesfeer is aangegaan, maar dat zij geen inzicht heeft kunnen geven in de feitelijke financiële lasten van haar ten tijde van het terugvorderingsbesluit.

5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal derhalve € 1.288, -.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van schade als in de rubriek II van deze uitspraak bij 4.3 is aangegeven, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot

€ 1.288,-;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 december 2008.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) A.L. de Gier.

CVG