Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG6774

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-12-2008
Datum publicatie
15-12-2008
Zaaknummer
07-5522 AW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag. Plichtsverzuim. Appellante beschikte als enige over het wachtwoord van O om te kunnen inloggen op het account van O. Verzenden van e-mailbericht op een moment dat O deelnam aan het wekelijkse stafoverleg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5522 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 augustus 2007, 07/1817 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: minister)

Datum uitspraak: 4 december 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2008. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.P.L.C. Dijkgraaf, advocaat te ’s-Gravenhage. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.C.B.W. Doup, werkzaam bij het ministerie van Buitenlandse Zaken.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellante was sedert 1995 als ambtenaar werkzaam bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. Zij werkte laatstelijk tot 14 maart 2005 als administratief medewerkster bij de afdeling [naam afdeling] (hierna: [naam afdeling]) en daarna als archiefmedewerkster bij het bedrijfsbureau van de directie [naam directie] (hierna: [naam directie]).

1.2. In verband met de overgang van appellante van [naam afdeling] naar [naam directie] en vanwege op de verlofkaart nog te paraferen verlofdagen over 2005 heeft O, lijnchef van appellante bij [naam afdeling], per e-mailbericht van 1 april 2005 aan S, de nieuwe lijnchef van appellante bij [naam directie], opgave gedaan van de verlofuren over 2004 en 2005, in totaal 140,5 uur, die nog op het verloftegoed van appellante in mindering dienden te worden gebracht.

Op 12 april 2005 is van het inlogadres van O een tweede e-mailbericht inzake het verloftegoed 2005 van appellante aan S verzonden. Daarin is vermeld dat de inhoud van het e-mailbericht van 1 april 2005 op een vergissing berust, omdat per abuis data van voorgenomen verlof zijn doorgegeven. Er is een nieuwe opgave gedaan van in totaal 29,5 verlofuren, die op het verloftegoed in mindering dienden te worden gebracht. De verlofkaart 2005 van appellante is daarna overeenkomstig het e-mailbericht van 12 april 2005 ingevuld.

1.3. Nadat in 2006 onduidelijkheid over het verloftegoed van appellante was ontstaan, is daarover met appellante op 8 februari 2006 een gesprek gehouden. Uit het verslag van het gesprek blijkt dat appellante heeft gesteld dat het e-mailbericht van 12 april 2005 door O moet zijn verzonden nadat ze hierover samen een gesprek hadden gehad. Volgens appellante was de eerdere opgave van verlofuren niet correct, omdat zij nog recht had op compensatie vanwege verricht overwerk.

In een op verzoek van appellante op 14 februari 2006 gehouden tweede gesprek heeft appellante, volgens het daarvan opgemaakte verslag, onder meer gesteld te denken dat zij zelf verantwoordelijk is voor de verzending van het e-mailbericht van 12 april 2005. Appellante heeft desgevraagd verklaard dat de berekening van haar verloftegoed in het e-mailbericht van 1 april 2005 juist is. Zij heeft voorts gevraagd aan O haar excuses voor het verkeerde bericht over te brengen. Appellante is bij e-mailbericht van 8 maart 2006 akkoord gegaan met de inhoud van de gespreksverslagen van 8 februari 2006 en van 14 februari 2006.

1.4. De minister heeft bij besluit van 13 juni 2006 appellante de disciplinaire straf van ontslag opgelegd. Daaraan is ten grondslag gelegd, kort gezegd, dat appellante plichtsverzuim heeft gepleegd door op 12 april 2005 een onjuist e-mailbericht over haar tegoed aan verlofuren aan haar nieuwe lijnchef te verzenden en door in eerste instantie te volharden in de onjuiste gang van zaken door te wijzen op te compenseren overwerk.

1.5. Bij beslissing op bezwaar van 1 februari 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft de minister, voor zover hier van belang, het bezwaar van appellante tegen het haar verleende ontslag ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

4.1. Evenals de rechtbank stelt de Raad voorop dat niet in geschil is dat de opgave van nog af te boeken vakantie-uren van 1 april 2005 juist was en de opgave van 12 april 2005 onjuist.

4.2. De Raad is voorts van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geconcludeerd dat appellante het haar aangewreven plichtsverzuim heeft gepleegd.

4.2.1. Met betrekking tot het opmaken en verzenden van het e-mailbericht van 12 april 2005 onderschrijft de Raad hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen, erop neerkomend, kort gezegd, dat appellante op 14 februari 2006 uitdrukkelijk is teruggekomen van haar verklaring van 8 februari 2006 en voorts dat appellante in de gelegenheid was het bewuste e-mailbericht van 12 april 2005 te verzenden. De Raad voegt hieraan nog toe tevens van belang te achten de reeds in het voornemen tot strafontslag vermelde, en door appellant niet betwiste, omstandigheid dat zij zich begin april 2005 tot S had gewend met de mededeling dat de verlofopgave van 1 april 2005 niet klopte, waarmee appellante kennelijk beoogde te bereiken dat S niet verbaasd zou zijn als een rectificatie zou volgen.

4.2.2. Anders dan appellante acht de Raad geen nader onderzoek nodig naar de herkomst van het e-mailbericht van 12 april 2005. De Raad wijst erop dat appellante beschikte over het wachtwoord van O om te kunnen inloggen op het account van O, dat het onjuiste e-mailbericht is verzonden op een moment dat O deelnam aan het wekelijkse stafoverleg en dat de enige die buiten O en appellante beschikte over het wachtwoord uitdrukkelijk heeft verklaard dat zij het bericht niet heeft verzonden. Voorts laat zich moeilijk verklaren waarom appellante niet heeft gereageerd op het haar in kopie gezonden e-mailbericht van 12 april 2005.

4.2.3. De Raad neemt voorts in aanmerking dat appellante, op 8 februari 2006 geconfronteerd met het e-mailbericht van 12 april 2005, onjuiste informatie heeft verschaft door te zeggen dat de correctie was geïnitieerd door O, na een aanvullend gesprek met appellante.

4.2.4. Appellante heeft betoogd dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op haar verzoek de behandeling van de zaak aan te houden teneinde een psychiatrisch onderzoek te laten doen naar, zoals de gemachtigde van appellante het in zijn brief van 30 juli 2007 aan de rechtbank heeft verwoord, “de wankele psychische toestand van appellante ten tijde van het afleggen van de bekennende verklaring.” Nu dit verzoek op een uiterst laat tijdstip in de procedure bij de rechtbank is gedaan en er niet een begin van aannemelijk-heid is dat de verklaring van 14 februari 2006 door een psychische ziekte niet valide is, was de rechtbank, naar het oordeel van de Raad, niet gehouden de behandeling van de zaak aan te houden.

4.3. De Raad is voorts evenals de rechtbank van oordeel dat appellante het betrokken plichtsverzuim kan worden toegerekend. De Raad onderschrijft de overwegingen hieromtrent van de rechtbank. De Raad is verder van oordeel dat de aard en de ernst van de verweten gedragingen zodanig zijn dat de opgelegde disciplinaire straf van ontslag daaraan niet onevenredig is te achten. Gelet op de functie van appellante heeft de minister groot belang mogen hechten aan eisen met betrekking tot integriteit en betrouwbaarheid, waaraan appellante niet heeft voldaan.

4.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en T. van Peijpe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 december 2008.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD