Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG6761

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-12-2008
Datum publicatie
15-12-2008
Zaaknummer
07-77 AW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het verleende ontslag valt buiten de omvang van het geding. De Raad oordeelt nog slechts of de hoogte van de uiteindelijk toegekende vergoeding zodanig is dat de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/77 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 november 2006, 05/6364 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: minister)

Datum uitspraak: 4 december 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2008. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.A.S. Andela, juridisch adviseur bij Vijverberg Juristen BV, en C. Blijleven, werkzaam bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was in vaste dienst bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat werkzaam, sinds 2001 bij de directie Noordzee van het dienstvak Rijkswaterstaat in de functie van medewerker beheer en ondersteuning gebruik infrastructuur. Bij besluit van 17 december 2002, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 28 mei 2003, heeft de minister appellant per 1 april 2003 eervol ontslag verleend op grond van artikel 99 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). Daarbij heeft de minister aan appellant op grond van artikel 99, tweede lid, van het ARAR een uitkering gegarandeerd die qua hoogte, duur en verdere inhoud gelijk is aan een uitkering op grond van de Werkloosheidswet en het besluit Bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk en hem bovendien een schadeloosstelling van € 10.000,- bruto toegekend.

1.2. In haar uitspraak van 10 januari 2005, 03/2911, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage overwogen dat het beroep van appellant zich niet (langer) richt tegen het verleende ontslag als zodanig en dat appellant daarin heeft berust. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat onvoldoende met feiten is onderbouwd dat de verstoorde arbeidsverhouding overwegend aan appellant is te wijten en dat dus ook een voldoende motivering ontbreekt voor toekenning van (slechts) de minimumvoorziening. De rechtbank heeft bij die uitspraak het beroep van appellant gegrond verklaard, het besluit van 28 mei 2003 vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in haar uitspraak is overwogen.

1.3. Bij het ter uitvoering van de uitspraak van 10 januari 2005 genomen nieuwe besluit op bezwaar van 10 augustus 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft de minister appellants bezwaren gegrond verklaard en, onder herroeping van het besluit van 17 december 2002 in zoverre, aan appellant, in aanvulling op het eerder toegekende bedrag van € 10.000,-, op grond van artikel 69 van het ARAR een eenmalige uitkering van € 25.000,- bruto toegekend, als tegemoetkoming in de schade. Ook tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, met verwijzing naar de overwegingen van de uitspraak van 10 januari 2005, appellant niet gevolgd in zijn stelling dat hij niet in het ontslag heeft berust en nog bij de minister in dienst is. Inhoudelijk heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister ten onrechte artikel 69 van het ARAR aan de toegekende ontslaguitkering ten grondslag heeft gelegd, nu het betreft het verlenen van een uitkering in verband met ontslag op grond van artikel 99, eerste lid, van het ARAR. Het bestreden besluit is daarom vernietigd. De rechtbank heeft evenwel de naast de garantie van de reguliere uitkeringen toegekende ontslaguitkering van in totaal € 35.000,- niet onredelijk geacht en heeft beslist dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit daarom geheel in stand worden gelaten.

3.1. In hoger beroep heeft appellant betoogd, kort samengevat, dat de omvang van het geschil door de rechtbank ten onrechte is beperkt tot de hoogte van de ontslaguitkering. Appellant stelt dat in beroep ook de rechtmatigheid van het ontslag van 17 december 2002 in het geding had moeten worden betrokken. Volgens appellant is de toegekende ontslaguitkering van in totaal € 35.000,- te laag vastgesteld. Appellant heeft in hoger beroep de zijns inziens geleden schade gespecificeerd (onder meer bestaande uit loonderving, gemiste pensioenopbouw en proceskosten) en geraamd op een bedrag van in totaal € 162.403,- bruto.

3.2. De minister heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen is de Raad van oordeel dat het verleende ontslag als zodanig buiten de omvang van dit geding valt. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak haar uitspraak van 10 januari 2005 en de daarin gegeven - hiervóór onder 1.2 genoemde - rechtsoordelen, terecht als uitgangspunt genomen. De Raad dient dus nog slechts te beoordelen of de hoogte van de uiteindelijk toegekende vergoeding zodanig is dat de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten.

4.2. De Raad vat het standpunt van de minister, die in de uitspraak van de rechtbank van 10 januari 2005 heeft berust en reeds daarom het aandeel van appellant in het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde arbeidsverhouding kennelijk niet meer overwegend acht, in feite aldus op dat hij zijn eigen aandeel als overwegend beschouwd en daarop de vergoeding heeft afgestemd. De minister heeft voorts in beroep terecht erkend dat de grondslag van de garantie op de reguliere uitkeringen en de toegekende vergoeding van € 35.000,- moet worden gevonden in het tweede lid van artikel 99 van het ARAR.

4.3. Wat betreft de hoogte van de naast de garantie op de reguliere uitkeringen verleende vergoeding merkt de Raad het volgende op.

4.3.1. Niettegenstaande het overwegende aandeel van de minister, deelt de Raad de zienswijze van de minister dat ook appellant substantieel heeft bijgedragen aan het escaleren van de situatie. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant moeilijk aanstuurbaar was en zich nogal eens eigenzinnig toonde en dat deze houding heeft geleid tot spanningen in de relatie met zijn leidinggevende. Voorts blijkt dat appellant met een - ook naar het oordeel van de Raad - ongepaste toonzetting kritiek op zijn leidinggevende heeft geuit, waardoor de arbeidsrelatie met die leidinggevende verder onder druk is komen te staan.

4.3.2. Alle omstandigheden in aanmerking genomen kan ook naar het oordeel van de Raad niet gezegd worden dat het aandeel van de minister in het ontstaan en voortbestaan van de situatie zodanig was dat, wat betreft de hoogte, niet kon worden volstaan met de bij besluit van 10 augustus 2005 toegekende financiële regeling. Daarbij neemt de Raad nog in aanmerking dat het bij een regeling als hier aan de orde niet gaat om een schadevergoeding, waarmee de financiële gevolgen van het ontslag (inkomens- en pensioenschade) geheel worden weggenomen, maar om een compensatie voor het aandeel van de werkgever in het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhoudingen. De door appellant bepleite toepassing van de zogeheten kantonrechtersformule is niet aangewezen, reeds omdat die formule is ontwikkeld voor gevallen van loonderving waarin niet (mede) door ambtelijke rechtspositieregelingen wordt voorzien. De Raad merkt voorts nog op dat hij geen aanleiding ziet om rekening te houden met de kosten van appellant voor het inroepen van de hulp van deskundigen tijdens de procedure, aangezien het Besluit proceskosten bestuursrecht daarvoor voorzieningen kent.

5. Gelet op het vorenoverwogene komt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking. De Raad acht geen termen aanwezig om in hoger beroep toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en T. van Peijpe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 december 2008.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) P.W.J. Hospel.

HD

12.11