Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG6751

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-12-2008
Datum publicatie
15-12-2008
Zaaknummer
08/1030 WWB + 08/1031 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verblijf in het buitenland. Werkzaamheden. Intrekking en terugvordering. Maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2009, 50
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/1030 WWB

08/1031 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], zonder vaste woon- of verblijfplaats (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 28 december 2007, 06/10385 en 07/632 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 1 december 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Koot, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is, gevoegd met de zaken 06/5338 WWB en 07/4260 WWB, aan de orde gesteld ter zitting van 20 oktober 2008, waar partijen niet zijn verschenen. Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving van 1 april 1997 tot en met 30 juni 2004 algemene bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Naar aanleiding van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand is het College gebleken dat appellant, zonder dit te melden, in de periode van 12 maart 2004 tot en met 30 juni 2004 in Spanje verbleef. De onderzoeksresultaten vormden voor het College aanleiding om bij besluit van 14 augustus 2006 de bijstand van appellant over de periode van 12 maart 2004 tot en met 30 juni 2004 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand over deze periode tot een bedrag van € 4.050,04 van hem terug te vorderen.

1.2. Bij besluit van 22 augustus 2006 heeft het College de bijstandsuitkering van appellant met ingang van 1 september 2006 met 30% gedurende twee maanden verlaagd omdat hij door schending van de inlichtingenverplichting ten onrechte bijstand heeft ontvangen. De maatregel wordt over twee maanden uitgesmeerd aangezien er te weinig financiële ruimte is om de maatregel in 1 maand uit te voeren.

1.3. Bij besluit op bezwaar van 13 november 2006 heeft het College - onder wijziging van de grondslag - het besluit van 14 augustus 2006 gehandhaafd. Het besluit berust op de grondslag dat appellant in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting zijn verblijf in het buitenland van 12 maart 2004 tot en met 30 juni 2004, alsmede zijn werkzaamheden daar in deze periode, niet onverwijld heeft gemeld. Dit leidt er volgens het College primair toe dat appellant wegens verblijf in het buitenland geen recht had op bijstand en subsidiair dat het recht op bijstand wegens ontoereikende inlichtingen over de werkzaamheden in het buitenland en de inkomsten daaruit niet kan worden vastgesteld.

1.4. Bij besluit van 4 december 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 22 augustus 2006 ongegrond verklaard en dit besluit ongewijzigd gehandhaafd. Het College heeft daarbij overwogen dat het gezien de hoogte van de aan appellant verleende bijstand niet mogelijk is de maatregel over één maand te effectueren, dat de maatregel daarom over twee maanden is gespreid en dat de hoogte van de verlaging over twee maanden samen gelijk is aan 30% van de maandelijkse bijstand.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 13 november 2006 en 4 december 2006 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking en terugvordering

4.1. Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d, van de WWB heeft geen recht op bijstand degene die per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland dan wel een aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland.

4.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat aan de hand van de geldopnames in het buitenland, zoals deze blijken uit de door appellant overgelegde bankafschriften over de periode hier van belang, is komen vast te staan dat appellant van 12 maart 2004 tot en met 30 juni 2004 aaneengesloten in het buitenland verbleef. De stelling van appellant dat hij steeds op en neer reisde en bij elkaar niet langer dan vier weken in het buitenland heeft verbleven, acht de Raad niet geloofwaardig gelet op de frequentie van de geldopnames in het buitenland. Appellant heeft zijn stelling ook niet met enig bewijs onderbouwd. Van 9 april 2004 tot en met 30 juni 2004 verbleef appellant langer dan vier weken in het buitenland. De Raad is met het College van oordeel dat appellant op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d, van de WWB gedurende deze periode geen recht had op bijstand. In hetgeen is aangevoerd ziet de Raad geen zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB. Ten aanzien van de periode van 12 maart 2004 tot en met 8 april 2004 overweegt de Raad dat appellant heeft verklaard tijdens zijn verblijf in Spanje werkzaamheden te hebben verricht. Appellant heeft daarbij geen controleerbare informatie verstrekt over de aard en de omvang van de werkzaamheden en de (aanspraken op de) met de werkzaamheden verband houdende inkomsten. Gelet hierop is de Raad met de rechtbank en het College van oordeel dat het recht op bijstand van appellant op grond van artikel 65 van de Algemene bijstandswet (Abw) in samenhang met artikel 11 van de WWB over laatstgenoemde periode niet vastgesteld kan worden. Aangezien het verblijf in het buitenland en de werkzaamheden aldaar onmiskenbaar van belang zijn voor het recht op bijstand had appellant op grond van artikel 65, eerste lid, van de Abw het College hierover onverwijld dienen te informeren. Doordat appellant dit heeft nagelaten is aan hem over de periode van 12 maart 2004 tot en met 30 juni 2004 ten onrechte bijstand verleend. De grief van appellant dat hij zijn vertrek naar het buitenland wel tijdig heeft doorgegeven vormt een herhaling van hetgeen hij in eerste aanleg reeds heeft aangevoerd. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat deze grief geen doel treft. De Raad kan zich vinden in de overwegingen van de rechtbank dienaangaande en verwijst daar naar.

4.3. Gelet op hetgeen onder 4.2 is overwogen was het College bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand in te trekken over de periode van 12 maart 2004 tot en met 30 juni 2004. In hetgeen door appellant is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

4.4. Uit hetgeen onder 4.3 is overwogen vloeit tevens voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover deze tot een te hoog bedrag is verleend. Het College heeft daarbij gehandeld in overeenstemming met het ter zake van terugvordering gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleid. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met overeenkomstige toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht, van het beleid had moeten afwijken.

Maatregel

4.5. De Raad begrijpt de opgelegde maatregel, gelet ook op de rapportage van 21 augustus 2006 (gedingstuk B13.1), aldus dat deze is vastgesteld op 30% van de bijstandsnorm van appellant gedurende een maand. De Raad stelt voorts vast dat tegen de effectuering van deze verlaging over twee maanden geen grieven zijn gericht.

4.6. De Raad stelt voorop dat de opgelegde maatregel moet worden aangemerkt als een punitieve sanctie. De verlaging is immers gericht op sanctionering van schending van de inlichtingenverplichting boven op de intrekking van de bijstand en de terugvordering van hetgeen als gevolg van die schending onverschuldigd is betaald.

4.7. De Raad stelt vervolgens vast dat artikel 18, tweede lid, van de WWB met ingang van 1 januari 2005 in werking is getreden (Stb. 2003, 386) en dat het College geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om op grond van artikel 2, eerste lid, van de Invoeringsregeling WWB eerder uitvoering te geven aan artikel 18, tweede lid, van de WWB. Uit de uitspraak van de Raad van 6 december 2005 (LJN AU7664) volgt dat het College vanaf 1 januari 2005 aan artikel 18, tweede lid, van de WWB zijn bevoegdheid ontleent om tot verlaging van de bijstand over te gaan ook in het geval de gedraging plaatsvond voor het van kracht worden van artikel 18, tweede lid, van de WWB. In dat geval dient de gedraging waarvoor het bestuursorgaan voornemens is de bijstand te verlagen zowel onder de WWB als onder de Abw grondslag voor het opleggen van een sanctie te zijn. Is dat het geval, dan dient het bestuursorgaan vervolgens bij de uitoefening van de in artikel 18, tweede lid, van de WWB neergelegde bevoegdheid te bezien of het (standaard)sanctieregime onder de WWB een zwaardere sanctie voorschrijft dan het (standaard)sanctieregime onder de Abw. Is daarvan geen sprake, dan levert onverkorte toepassing van het sanctieregime onder de WWB geen strijd op met artikel 7, eerste lid, laatste volzin van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 15, eerste lid, tweede volzin van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

4.8. De verplichting voor appellant om onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed zijn op het recht op bijstand vindt onder de WWB haar grondslag in artikel 17, eerste lid, en onder de Abw in artikel 65, eerste lid.

4.9. Volgens appellant ontbeert de opgelegde maatregel een feitelijke grondslag omdat er volgens hem geen sprake is van schending van de inlichtingenverplichting. Gelet op hetgeen de Raad onder 4.2 heeft overwogen staat vast dat appellant over de periode van 12 maart 2004 tot en met 30 juni 2004 de inlichtingenverplichting heeft geschonden door het College niet tijdig en volledig in te lichten over zijn verblijf in het buitenland en zijn werkzaamheden aldaar. Nu daarbij voorts niet kan worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, was het College gehouden met toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB de bijstand van appellant te verlagen. Het College heeft de verlaging, gelet op het benadelingsbedrag en overeenkomstig artikel 9, tweede lid, onder c, in verbinding met artikel 13, eerste lid, onder c, van de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand van de gemeente Den Haag (hierna: de Maatregelenverordening), vastgesteld op 30% van de bijstandsnorm voor de duur van een maand. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat deze (standaard)sanctie voor appellant onder de WWB gunstiger is dan de (standaard)sanctie zoals deze onder de Abw zou gelden. De Raad kan zich vinden in de desbetreffende overwegingen van de rechtbank en verwijst daarnaar. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College was gehouden om met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de WWB en artikel 2, tweede lid, van de Maatregelenverordening een lagere maatregel vast te stellen.

4.10. Uit hetgeen onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen ten aanzien van de intrekking en terugvordering en uit hetgeen onder 4.9 is overwogen ten aanzien van de maatregel vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak met enige verbetering van gronden voor bevestiging in aanmerking komt.

4.11. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.J.A. Kooijman en J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 december 2008.

(get.) C. van Viegen.

(get.) N.L.E.M. Bynoe.

IJ