Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG6567

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-11-2008
Datum publicatie
16-12-2008
Zaaknummer
06-5089 WAO + 07-6636 ZW + 07-6641 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Intrekking WAO-uitkering. 2)Beëindiging ZW-uitkering. 3)Weigering WAO-uitkering te heropenen, wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid. 1) Verzekeringsgeneeskundig protocol Angststoornissen was op de datum in geding nog niet van toepassing. Juiste medische beperkingen in acht genomen? Agorafobie en angstklachten. Voor vervoersproblematiek kan voorziening voor woon-werkverkeer getroffen worden. Van de geselecteerde functies resteren uiteindelijk 3 passende functies. Toereikende motivering eerst in hoger beroep gegeven. 2) Geen sprake zijn van een gerechtvaardigd vertrouwen bij appellante op voortzetting van het recht op en betaling van het ziekengeld na datum in geding, nu feitelijke betaling van ziekengeld na die datum niet meer heeft plaatsgevonden. 3)Niet gebleken van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Angststoornissen / Verzekeringsgeneeskundig Protocol Angststoornissen / Regeling verzekeringsgeneeskundige protocollen arbeidsongeschiktheidswetten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5089 WAO

07/6636 ZW

07/6641 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank Utrecht van 5 juli 2006 (05/4121), 18 oktober 2007 (07/103) en 18 oktober 2007 (07/99), hierna: aangevallen uitspraken,

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 26 november 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Vaessen, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2008, waar de zaken gevoegd zijn behandeld. Voor appellante is verschenen haar echtgenoot, [naam echtgenoot], bijgestaan door mr. S. Broens, kantoorgenoot van mr. Vaessen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Florijn.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 2 mei 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die voorheen werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 27 juni 2005 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 17 november 2005 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

1.2. Bij besluit van 13 december 2005 heeft het Uwv beslist dat de eerste dag van ziekte van appellante 5 juli 2005 is, dat zij in verband daarmee recht heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW), maar dat het recht niet tot uitbetaling komt omdat appellante voor of op de derde dag na het intreden van de ziekte per 5 juli 2005 al weer hersteld is. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 30 november 2006 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard. Bij besluit van 14 maart 2007 (bestreden besluit 3) heeft het Uwv het bezwaar alsnog gegrond verklaard en beslist dat het recht op ziekengeld eerst met ingang van 5 december 2005 wordt beëindigd.

1.3. Bij besluit van 17 augustus 2006 heeft het Uwv geweigerd de WAO-uitkering van appellante te heropenen per 5 juli 2005, onder de overweging dat appellante per die datum niet toegenomen arbeidsongeschikt is. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 30 november 2006 (bestreden besluit 4) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de uitspraak van 5 juli 2006 (05/4121) (aangevallen uitspraak 1) heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Bij de uitspraak van 18 oktober 2007 (07/103) (aangevallen uitspraak 2) heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluiten 2 en 3 ongegrond verklaard. Bij de uitspraak van 18 oktober 2007 (07/99) (aangevallen uitspraak 3) heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 4 ongegrond verklaard.

3.1. Appellante heeft in hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 aangevoerd dat gelet op haar aandoeningen door het Uwv onvoldoende medische beperkingen zijn aangenomen. Appellante meent dat in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML), waarin het Uwv de medische belastbaarheid van appellante heeft weergegeven, meer rekening had moeten worden gehouden met de paniekstoornis waaraan zij lijdt. Appellante heeft daarbij verwezen naar het rapport van 31 januari 2005 van de psychiater J. IJsselstein, uitgebracht op verzoek van de verzekeringsarts M.C.H. van Didden, en op het verzekeringsgeneeskundig protocol “Angststoornissen, beroerte en borstkanker” van 15 maart 2007. Verder heeft appellante gemotiveerd betoogd dat de door het Uwv geselecteerde functies, die ten grondslag liggen aan de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid, niet geschikt zijn voor haar. Daarbij heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat het Uwv ook onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de functies geschikt zijn, en dat de functies niet zijn berekend op haar bekwaamheden wat betreft opleidingseisen en de beheersing van de Nederlandse taal.

3.2. In het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 stelt appellante dat het Uwv haar in strijd met de rechtszekerheid met terugwerkende kracht hersteld heeft gemeld en dat zij redelijkerwijs ook niet had kunnen begrijpen dat zij weer hersteld werd geacht. Om die reden had het Uwv volgens appellante haar ZW-uitkering niet met terugwerkende kracht per 5 december 2005 mogen beëindigen.

3.3. Het hoger beroep van appellante tegen aangevallen uitspraak 3 richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat het Uwv terecht heeft aangenomen dat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid per 5 juli 2005. Volgens appellante is zij wel toegenomen arbeidsongeschikt per die datum.

4. De Raad overweegt het volgende.

06/5089 WAO

5.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat er geen reden is om de medische grondslag van bestreden besluit 1 voor onjuist te houden. De Raad kan zich ook verenigen met de overwegingen van de rechtbank daarover. De door appellante in hoger beroep aangevoerde argumenten zijn geen reden om tot een andere conclusie te komen. Het Uwv heeft de door psychiater IJsselstein in de rapportage van 31 januari 2005 genoemde beperkingen overgenomen en neergelegd in de FML van 26 oktober 2005. Anders dan appellante stelt, is daarbij ook rekening gehouden met de opmerking van IJsselstein dat appellante als gevolg van haar angstklachten moeite heeft om zich zelfstandig buitenshuis te vervoeren. In de FML is immers aangegeven dat appellante beperkt is ten aanzien van het aspect “vervoer” en is aangewezen op een regeling of voorziening voor woon-werkvervoer. Het beroep van appellante op het door haar genoemde verzekeringsgeneeskundig protocol kan niet slagen. Op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder f, van de Regeling verzekeringsgeneeskundige protocollen arbeidsongeschiktheidswetten (Regeling van 31 januari 2006, Stcrt. 2006, 33, laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2007, 122) wordt bij de beoordeling van angststoornissen met ingang van 1 oktober 2007 gebruik gemaakt van het Verzekeringsgeneeskundig protocol Angststoornissen. Dit protocol was op de datum waar het in deze zaak om gaat, te weten 27 juni 2005, dus nog niet van toepassing.

5.2.1. De bezwaararbeidsdeskundige J. den Hartog heeft in de rapportage van 2 oktober 2008 een nadere toelichting gegeven ten aanzien van de geschiktheid van de geselecteerde functies. Daarbij is uiteengezet dat de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid (inmiddels) berust op de functies medewerker tuinbouw (sbc-code 111010), inpakker (sbc-code 111190) en opruimer (sbc-code 111260), en dat daarnaast nog de functies productiemedewerker (sbc-code 111171) en schoonmaker (sbc-code 111332) geschikt zijn.

5.2.2. De Raad kan appellante volgen in haar stelling dat onvoldoende is toegelicht waarom de functies opruimer en schoonmaker geschikt moeten worden geacht. Blijkens de formulieren Resultaat Functiebeoordeling wordt in deze functies gewerkt in een zwembad dat gemiddeld per jaar ruim 400.000 bezoekers heeft, op een parkeerterrein van een zelfbedieningsgroothandel waar klanten te woord moeten worden gestaan, en in een luxe hotel met 90 kamers waar geïrriteerde of lastige klanten te woord moeten worden gestaan. Een dergelijke werkomgeving laat zich zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet rijmen met de door psychiater IJsselstein gestelde diagnose paniekstoornis met agorafobie en de door hem aangegeven en daaruit voortvloeiende beperkingen. De Raad is daarom van oordeel dat deze functies niet ten grondslag kunnen worden gelegd aan de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid.

5.2.3. Het betoog van appellante dat verschillende functies ongeschikt zijn vanwege een belasting ten aanzien van deadlines, productiepieken en handelingstempo, wordt door de Raad niet gevolgd. De bezwaararbeidskundige heeft in genoemde rapportage uiteengezet dat in de functie medewerker tuinbouw weliswaar sprake is van incidentele deadlines of productiepieken gedurende enkele maanden per jaar, maar dat blijkens de functiegegevens de belasting beperkt blijft omdat in dergelijke perioden extra medewerkers worden ingezet. De Raad kan zich vinden in deze toelichting door de bezwaararbeidsdeskundige, mede gelet op het feit dat die toelichting steun vindt in de beschrijving van de functie in de formulieren Resultaat Functiebeoordeling. Voor zover appellante zich op het standpunt stelt dat uit de rapportage van IJsselstein volgt dat deadlines of productiepieken in het geheel niet aanvaardbaar zijn, merkt de Raad op dat voor dat standpunt onvoldoende steun is te vinden in die rapportage en in de overige medische gegevens. Daarnaast merkt de Raad op dat overigens in de functies – afgezien van de functie schoonmaker, waarvan de geschiktheid door de Raad blijkens de overweging onder 5.2.2 al onvoldoende toegelicht wordt geacht – geen sprake is van deadlines of productiepieken, en dat in de FML geen beperking is aangenomen ten aanzien van handelingstempo.

5.2.4. Appellante heeft verder gesteld dat zij gelet op haar beperking ten aanzien van vervoer niet in staat is om de functies te verrichten. De Raad onderschrijft in dit verband de motivering van de bezwaararbeidsdeskundige in de rapportage van 2 oktober 2008, te weten dat de beperking van appellante kan worden opgeheven door een voorziening voor woon-werkverkeer. Deze motivering sluit aan bij de hiervoor onder 5.1 genoemde beschrijving van de beperking neergelegd in de FML en bij de toelichting van de bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal in de rapportage van 19 april 2006. Verder kan de bezwaararbeidsdeskundige worden gevolgd in de verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 7 maart 2008 (LJN BC7288), waaruit volgt dat een voorziening voor woon-werkverkeer door de werknemer zelf moet worden getroffen.

5.2.5. Wat betreft de taalvaardigheid overweegt de Raad dat de bezwaararbeidsdeskundige terecht heeft gesteld dat de taaleisen in de geselecteerde functies er gezien de Regeling nadere invulling algemeen gebruikelijke bekwaamheden (Regeling van 15 september 2004, Stcrt. 2004, 182) niet aan in de weg staan om deze functies in aanmerking te nemen bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van

19 september 2008 (LJN BF1936). De Raad acht daarbij van belang dat voor de geselecteerde functies blijkens de arbeidsmogelijkhedenlijst alleen mondelinge beheersing van het Nederlands is vereist en dat voor de functies – afgezien van de functie opruimer, waarvan de geschiktheid door de Raad blijkens de overweging onder 5.2.2 al onvoldoende toegelicht wordt geacht – geen enkele vorm van opleiding vereist is. Daaruit volgt ook dat de Raad niet deelt de stelling van appellante dat de functies haar opleidingsniveau te boven gaan.

5.3. Uit het voorgaande volgt dat twee van de vijf geselecteerde functies niet in aanmerking kunnen worden genomen bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid, maar dat ten aanzien van de overige functies in de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 2 oktober 2008, bezien in samenhang met de rapportage van 9 maart 2007, deugdelijk is gemotiveerd waarom deze functies geschikt zijn voor appellante. Er resteren daarmee voldoende functies met voldoende arbeidsplaatsen. Uitgaande van deze functies is de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% en is de WAO-uitkering terecht ingetrokken. Nu een deugdelijke motivering van de geschiktheid van de functies pas in hoger beroep is gegeven, ziet de Raad aanleiding bestreden besluit 1 te vernietigen, maar de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand te laten. Dat betekent ook dat aangevallen uitspraak 1 voor vernietiging in aanmerking komt.

07/6636 ZW

6.1. Ambtshalve overweegt de Raad dat het Uwv appellante terecht ontvankelijk heeft geacht in het bezwaar tegen het besluit van 13 december 2005. Met het Uwv en appellante neemt de Raad aan dat de bekendmaking van het besluit van

13 december 2005 eerst heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2006 door toezending van dat besluit aan de gemachtigde van appellante. Het bezwaar van appellante, bij brief van haar gemachtigde van 2 november 2006, is dus tijdig ingediend.

6.2 Voor zover appellante zich nog op het standpunt stelt dat zij op en na 5 juli 2005 ziek moet worden geacht in de zin van de ZW, overweegt de Raad dat hij de rechtbank volgt in het oordeel dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van de beoordeling door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts. De Raad onderschrijft in dit verband geheel de overwegingen van de rechtbank. Appellante heeft in hoger beroep geen argumenten of medische gegevens naar voren gebracht die een aanknopingspunt bieden voor een ander oordeel.

6.3. Over de stelling van appellante dat het ziekengeld in strijd met de rechtszekerheid met terugwerkende kracht is beëindigd, overweegt de Raad het volgende.

6.4. Appellante heeft zich in september 2005 ziekgemeld per 5 juli 2005. Zonder dat een medische beoordeling heeft plaatsgevonden, is aan appellante bij besluit van 29 november 2005 ziekengeld toegekend vanaf 5 juli 2005. Bij eerdergenoemd besluit van 13 december 2005 heeft het Uwv beslist dat appellante voor of op de derde dag na het intreden van de ziekte per 5 juli 2005 al weer hersteld is. Er heeft een nabetaling van ziekengeld plaatsgevonden in verband met het toekenningsbesluit van 29 november 2005, maar na 5 december 2005 heeft feitelijk geen betaling van ziekengeld meer plaatsgevonden. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor onder 6.1 is overwogen, moet ervan worden uitgegaan dat appellante pas in oktober 2006 van het besluit van 13 december 2005 kennis heeft genomen. Bij bestreden besluit 3 heeft het Uwv uit een oogpunt van zorgvuldigheid beslist dat het recht op ziekengeld eerst met ingang van 5 december 2005 wordt beëindigd.

6.5. Anders dan appellante, ziet de Raad geen reden om te oordelen dat de beëindiging van het ziekengeld per 5 december 2005 in strijd komt met het rechtszekerheidsbeginsel. Naar het oordeel van de Raad mocht appellante aan de enkele toekenning van ziekengeld bij het besluit van 29 november 2005 niet het vertrouwen ontlenen dat het recht op ziekengeld en de betaling van dat ziekengeld zou worden voortgezet na 5 december 2005. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat appellante zich pas in september 2005 met terugwerkende kracht heeft ziekgemeld per 5 juli 2005 en dat naar aanleiding daarvan ziekengeld is toegekend zonder dat daaraan enige medische beoordeling ten grondslag lag. Appellante is immers in de periode van 5 juli 2005 tot 4 april 2006 niet gezien door een verzekeringsarts van het Uwv. In het kader van de hoorzitting van 26 september 2005 in de bezwaarprocedure die heeft geleid tot bestreden besluit 1, heeft appellante daar ook zelf op gewezen. Onder die omstandigheden kon appellante er niet zonder meer van uitgaan dat zij vanaf 5 juli 2005 onafgebroken ziek werd geacht. Er kon temeer geen sprake zijn van een gerechtvaardigd vertrouwen bij appellante op voortzetting van het recht op en betaling van het ziekengeld na 5 december 2005, nu feitelijke betaling van ziekengeld na die datum niet meer heeft plaatsgevonden. In ieder geval moest appellante gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden ernstig rekening houden met het feit dat zij geen aanspraak op ziekengeld meer had. Hieruit vloeit ook voort dat de Raad appellante niet volgt in haar standpunt dat haar niet redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat zij geen aanspraak meer had op ziekengeld. De verwijzing door appellante naar de uitspraak van de Raad van 29 maart 2006 (LJN AV8543) gaat niet op, nu die uitspraak niet ziet op een geval waarin zich de bijzondere omstandigheden voordoen als hier aan de orde.

6.6. Gelet op het voorgaande komt aangevallen uitspraak 2 voor bevestiging in aanmerking.

07/6641 WAO

7.1. De Raad stelt voorop dat uit artikel 47, eerste lid, van de WAO volgt dat degene wiens arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 45%, is ingetrokken, aanspraak heeft op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien hij binnen vier weken na de dag, met ingang van welke de uitkering is ingetrokken, weer arbeidsongeschikt wordt.

7.2. Appellante heeft in deze zaak in hoger beroep geen andere gronden naar voren gebracht dan in de zaak met betrekking tot de intrekking van de WAO-uitkering per 27 juni 2005. Wat betreft het oordeel over die gronden verwijst de Raad naar hetgeen is overwogen onder 5.1 tot en met 5.3. Er zijn geen aanknopingspunten om aan te nemen dat op 5 juli 2005, de datum waarop appellante aanspraak maakt op heropening van de WAO-uitkering, sprake was van een andere situatie dan op 27 juni 2005, in die zin dat betrokkene op 5 juli 2005 weer of toegenomen arbeidsongeschikt was.

7.3. Aangevallen uitspraak 3 komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

Schadevergoeding

8. Nu de rechtsgevolgen van bestreden besluit 1 in stand worden gelaten, is er geen grond voor toekenning van de door appellante gevraagde schadevergoeding in de vorm van vergoeding van wettelijke rente. Uit de bevestiging van de aangevallen uitspraken 2 en 3 volgt dat ook in die zaken geen plaats is voor schadevergoeding. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

Proceskosten

9. De Raad ziet aanleiding om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de zaak met nummer 06/5089 WAO te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,00 voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,00 voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.288,00.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt aangevallen uitspraak 1;

Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Bevestigt aangevallen uitspraak 2;

Bevestigt aangevallen uitspraak 3;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.288,00, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 142,00 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en P.J. Jansen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 november 2008.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) I.R.A. van Raaij.

TM