Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG6544

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-12-2008
Datum publicatie
16-12-2008
Zaaknummer
07-2788 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische grondslag. Onvoldoende arbeidskundige onderbouwing. Vernietiging. Heeft rechtbank terecht rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/2788 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 17 april 2007, 05/581 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 december 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F. Werdmüller von Elgg, werkzaam bij CNV Hout en Bouw te Odijk, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarop namens appellant bij schrijven van 3 juli 2007 is gereageerd.

Het Uwv heeft bij schrijven van 5 juli 2007 een nadere arbeidskundige toelichting gegeven.

Beide partijen hebben nadien nog enkele stukken in geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2008, waar beide partijen met berichtgeving niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, die op 30 november 2001 in verband met hartklachten is uitgevallen voor zijn werkzaamheden als opperman/timmerman, is door het Uwv met ingang van 9 december 2002 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Bij besluit van 24 november 2003, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 16 maart 2005 (hierna: het bestreden besluit), heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 14 januari 2004 herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35%.

2.1. De rechtbank heeft in beroep aanleiding gezien de cardioloog prof. dr. F.W.A. Verheugt te raadplegen voor een deskundigenonderzoek. De deskundige concludeerde in zijn rapportage van 1 augustus 2006 en een nadere toelichting bij brief van 8 december 2006, dat appellant geen lichamelijke beperkingen had op 14 januari 2004 en dat de verzekeringsartsen de belastbaarheid van appellant juist hebben weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 10 juli 2003. De deskundige heeft verder geoordeeld dat appellant in staat te achten was de aan de schatting ten grondslag gelegde functies chauffeur bijzonder vervoer (sbc-code 282091), kassamedewerker, caissière (sbc-code 317030) en houtwarensamensteller (sbc-code 262140) te verrichten.

2.2. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak tot het oordeel gekomen dat het Uwv de voor appellant op 14 januari 2004 geldende medische beperkingen juist heeft ingeschat. Zij heeft daarbij doorslaggevende betekenis toegekend aan de bevindingen en conclusies van de door haar geraadpleegde deskundige Verheugt. De rechtbank heeft verder geen aanwijzingen gevonden dat appellant op psychische gronden zwaarder beperkt is te achten dan aangenomen door het Uwv. Wat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit betreft, heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de jurisprudentie van de Raad aangaande het aangepaste Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS), geoordeeld dat het bestreden besluit niet van een volledige en toereikende onderbouwing is voorzien. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd en heeft de rechtsgevolgen ervan, gelet op hetgeen in haar uitspraak verder is overwogen, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel in stand gelaten. De rechtbank heeft voorts een proceskostenveroordeling en een griffierechtvergoeding uitgesproken.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen de beslissing van de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Appellant voert in dit verband aan dat de arbeidsdeskundige een zekere beoordelingsruimte heeft bij het nemen van een nieuw besluit na vernietiging van een beslissing en hiermee is naar het oordeel van appellant onverenigbaar dat de rechtbank op voorhand heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Appellant heeft er tot slot op gewezen dat het Uwv bij besluit van 26 november 2007 de mate van zijn arbeidsongeschiktheid met ingang van 15 mei 2007 weer heeft bepaald op 80 tot 100%.

4. Het Uwv heeft zich onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (onder meer LJN AR4717) op het standpunt gesteld dat bij besluiten die zijn uitgereikt vóór 1 juli 2005 ook in hoger beroep nog ruimte is om onvolkomenheden in de motivering te repareren. Het Uwv heeft bij schrijven van 5 juli 2007, onder verwijzing naar een op

2 juli 2007 en een op 28 maart 2007 gedateerde rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige H.J. van Heun, een nadere arbeidskundige toelichting gegeven, waarbij alle signaleringen in de functiebelasting van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies en van een tweetal andere functies van een toelichting zijn voorzien. Het Uwv heeft verder aanleiding gezien om de functie chauffeur bijzonder vervoer (sbc-code 282091) niet langer als passend aan te merken voor appellant. Appellant blijft naar het oordeel van het Uwv op grond van deze nadere onderbouwing onverminderd arbeidsongeschikt naar de klasse 25 tot 35%.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. De Raad stelt vooreerst vast dat appellant geen grieven heeft geformuleerd tegen het oordeel van de rechtbank dat het Uwv zijn medische beperkingen juist heeft vastgesteld. De Raad stelt verder vast dat tussen partijen niet wordt betwist dat het bestreden besluit in het licht van de jurisprudentie van de Raad aangaande het (aangepaste) CBBS niet afdoende was gemotiveerd en dat de rechtbank het bestreden besluit derhalve terecht heeft vernietigd. Appellant betwist in hoger beroep de juistheid van de beslissing van de rechtbank om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Appellant acht onvoldoende aangetoond dat de voorgehouden functies berekend zijn voor zijn belastbaarheid.

5.2. De Raad is van oordeel dat het Uwv met de - onder rubriek 4 - genoemde rapportages van 28 maart en 2 juli 2007 genoegzaam heeft gemotiveerd dat de in hoger beroep aan de schatting ten grondslag gelegde functies in overeenstemming zijn met de voor appellant geldende beperkingen. Wat de geschiktheid van de functie houtwarensamensteller (sbc-code 262140) betreft, waarin gedurende 6 of 8 uur 5 maal ongeveer 10 kilogram getild moet worden en gedurende 6 of 8 werkuren 60 maal onderdelen van 1 tot 5 kilogram gehanteerd moeten worden, merkt de Raad het volgende op. Appellant kan blijkens de FML 10 kilogram tillen of dragen en is vanuit energetisch oogpunt beperkt geacht voor frequent tillen tijdens het werk (aspect 4.15.2.) in die zin dat hij zonodig elk uur van de werkdag ongeveer 150 keer voorwerpen van ruim 1 kilogram kan hanteren. Niet valt in te zien dat appellant, indien de frequentie van het tillen per uur beduidend lager wordt, geen voorwerpen van 1 tot 5 kilogram zou kunnen hanteren. Het Uwv heeft de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant naar het oordeel van de Raad terecht bepaald op de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35%. De omstandigheid dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant bij besluit van 26 november 2007 ingaande 15 mei 2007 heeft bepaald op 80 tot 100% maakt het voorgaande niet anders. Deze toekenning hangt immers samen met een uitval op 17 april 2007 met recidief hartklachten, waarvan appellant - blijkens bijgevoegde stukken - in ieder geval in november 2007 nog herstellende was.

5.3. De Raad is - gelet op hetgeen hiervoor onder punt 5.2. is overwogen - evenals de rechtbank, zij het op andere gronden, van oordeel dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand kunnen blijven.

5.4. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5.5. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep, welke kosten worden begroot op € 322,-, zijnde de kosten van verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag groot € 322,-;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht in hoger beroep van

€ 106,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R. van de Vos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 december 2008.

(get.) H. Bolt.

(get.) M.R. van de Vos.

JL