Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG5976

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-12-2008
Datum publicatie
04-12-2008
Zaaknummer
07-5591 ALGEM
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Boete wegens het niet tijdig indienen van de jaarloonopgave over 2003. Opzet of grove schuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5591 ALGEM

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Naam appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 15 augustus 2007, 07/1764 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 december 2008.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld, nader aangevuld bij schrijven van 20 januari 2008, met bijlagen.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Desgevraagd heeft het Uwv gereageerd op de nader ingezonden stukken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2008, waar voor appellante is verschenen [naam boekhouder], externe boekhouder van appellante, terwijl het Uwv zich bij die gelegenheid niet heeft doen vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de wettelijke bepalingen zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

1.1. Voor een overzicht van de in dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het vermelden van de volgende, voor de beoordeling van het hoger beroep van belang zijnde gegevens.

1.2. Bij besluit van 24 januari 2006 heeft het Uwv appellante wegens het niet tijdig indienen van de jaarloonopgave over 2003 een boete opgelegd van € 4.538,--. Daarbij is het Uwv er van uitgegaan dat de overtreding te wijten is aan opzet of grove schuld van de zijde van appellante en dat er sprake is van een tweede overtreding die in de afgelopen vijf jaar is geconstateerd.

1.3. Bij besluit van 23 januari 2007 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 24 januari 2006 ongegrond verklaard. Het Uwv is gebleven bij zijn standpunt dat, nu de overtreding te wijten is aan opzet of grove schuld, sprake is van een vergrijp en heeft in het besluit onder meer overwogen dat appellante tot tweemaal toe niet heeft gereageerd op een rappel. Ten aanzien van het niet reageren op de rappellen heeft het Uwv opgemerkt dat gelet op de ervaringen in het verleden van appellante verwacht had mogen worden dat belangrijke post aangetekend verzonden zou worden.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit op bezwaar van 23 januari 2007 ongegrond verklaard en daartoe overwogen dat uit de onderliggende stukken niet gebleken is dat appellante niet, bijvoorbeeld door middel van aangetekende verzending, heeft kunnen aantonen dat zij vóór 1 februari 2004 en derhalve tijdig de jaarloonopgave 2003 heeft ingediend. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat appellante niet heeft ontkend beide rappelbrieven te hebben ontvangen, terwijl zij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij heeft gereageerd op de eerste rappelbrief.

3. Appellante houdt in hoger beroep staande dat zij de jaarloonopgave 2003 tijdig heeft ingediend hetgeen zij heeft bevestigd met inzending van het retourformulier naar aanleiding van het eerste rappel. Daarnaast heeft appellante in hoger beroep uiteengezet dat zij met een zestal brieven heeft gereageerd, maar dat daarop geen enkele reactie van het Uwv is vernomen. Tevens valt het appellante niet te verwijten dat de jaarloonopgaven en correspondentie niet aangetekend is verzonden aangezien dit niet gebruikelijk is, dan wel door het Uwv als vereiste is gesteld. Appellante is voorts van mening dat zij geen overtreding van de bedoelde verplichting heeft begaan, zodat er geen sprake kan zijn van ernstige nalatigheid en derhalve geen grove schuld dan wel opzet.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. De Raad stelt vast dat het Uwv de jaaropgaven van appellante over het jaar 2003 niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft ontvangen en evenmin een reactie van de zijde van appellante heeft ontvangen op twee nadien aan appellante verzonden rappellen. Desgevraagd heeft het Uwv benadrukt dat zij de in hoger beroep overgelegde correspondentie niet heeft ontvangen en dat appellante de verzending en ontvangst van die correspondentie niet aannemelijk heeft gemaakt door een bewijs van aangetekende verzending te overleggen. Ook de Raad is niet gebleken dat appellante de jaarloonopgave 2003 tijdig heeft ingediend, dan wel voldoende adequaat gereageerd heeft op de rappellen dienaangaande. Appellante houdt in hoger beroep weliswaar staande dat zij de jaaropgave 2003 tijdig heeft ingezonden, dan wel dat zij tijdig heeft gereageerd op de nadien aan haar gezonden rappellen, maar zij is er naar het oordeel van de Raad niet in geslaagd dat voldoende aannemelijk te maken.

4.2. De Raad is dan ook met het Uwv en de rechtbank van oordeel dat vast is komen te staan dat appellante niet op de juiste wijze heeft voldaan aan de voor haar op grond van artikel 10, tweede lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) geldende verplichting tot het doen van loonopgave over het jaar 2003. Het Uwv was dan ook gelet op artikel 12 van de CSV gehouden appellante een boete op te leggen. Ten aanzien van de kwalificatie opzet of grove schuld volgt de Raad het oordeel van de rechtbank en maakt de door de rechtbank gebezigde overwegingen tot de zijne.

4.3. Uit vorenstaande overwegingen volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4.4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 december 2008.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) A. Badermann.

KR