Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG4637

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-10-2008
Datum publicatie
19-11-2008
Zaaknummer
08-5274 WVG-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep ingesteld door bestuursorgaan. Verzoekster heeft een voorlopige voorziening aangevraagd. Overgangsrecht WMO. College is niet (meer) bevoegd. Geen schending redelijke termijn. Afwijzing voorlopige voorziening. Opdracht tot nemen van nieuw besluit op bezwaar binnen acht weken inzake woningaanpassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2009, 36
RSV 2009/21
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/5274 WVG-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

[verzoekster], (hierna: verzoekster)

in verband met het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Lingewaard (hierna: College)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 3 juni 2008, 08/111 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

verzoekster

en

het College.

Datum uitspraak: 15 oktober 2008

I. PROCESVERLOOP

Het College heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Namens verzoekster heeft mr. M.F. Vermaat, advocaat te Amsterdam, een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2008. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. Vermaat. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door E.T.J. Moolhuizen en R. Kamphuis, beiden werkzaam bij de gemeente Lingewaard.

II. OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.1.1. Voor zover de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening meebrengt dat het geschil in hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

1.1.2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Verzoekster, geboren op 13 januari 1942, heeft een spierziekte waardoor zij beperkingen ondervindt.

1.3. Op 2 juni 2005 is verzoekster met haar echtgenoot vanuit haar woning in Ede verhuisd naar een woning in Huissen, gemeente Lingewaard.

1.4. Verzoekster heeft in april 2005, respectievelijk in juli 2005 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten (hierna: Wvg) woonvoorzieningen in de vorm van een verhuis- en herinrichtingskostenvergoeding en een financiële tegemoetkoming in de kosten van woningaanpassing aangevraagd.

1.5. Naar aanleiding van de aanvraag van verzoekster heeft het Centrum Indicatiestelling Zorg (hierna: CIZ) bij rapport van 7 oktober 2005 advies uitgebracht aan het College. In dit advies is aangegeven dat verzoekster niet in aanmerking komt voor vergoeding van de gevraagde woningaanpassing, aangezien de keukenaanpassing reeds door verzoekster is uitgevoerd en er met betrekking tot de gevraagde badlift geen sprake is van ergonomische belemmeringen in de natte cel.

1.6. Bij besluit van 12 juli 2007 heeft het College de aanvraag van verzoekster om een woningaanpassing afgewezen.

1.7. Bij besluit van 20 november 2007 heeft het College het bezwaar van verzoekster tegen het besluit van 12 juli 2007 ongegrond verklaard. Hieraan ligt het standpunt ten grondslag dat de aanvraag van verzoekster om woningaanpassing terecht is geweigerd, nu de noodzaak tot het treffen van deze voorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van ergonomische belemmeringen geen aanleiding bestond.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 20 november 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het College opgedragen om binnen vier weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van verzoekster te nemen.

2.1. De rechtbank heeft geoordeeld dat op de datum van het nemen van het besluit op bezwaar van 20 november 2007 de Wvg was ingetrokken en op basis van artikel 40, eerste lid, onder d, van de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo) niet meer de Wvg maar de Wmo gold, ook ten aanzien van lopende aanvragen. Met betrekking tot de aanvraag van een verhuis- en herinrichtingskostenvergoeding is de rechtbank ervan uitgegaan dat een aanvraag is ingediend, maar dat daarop ten onrechte niet is beslist omdat deze in het ongerede is geraakt. Dat het College van oordeel is dat het niet bevoegd is op deze aanvraag te beslissen omdat burgemeester en wethouders van de gemeente Ede bevoegd zijn, ontslaat het College, naar het oordeel van de rechtbank, niet van de plicht op deze aanvraag een besluit te nemen.

3. Het College heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

4. Namens verzoekster is een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening gedaan. Kort samengevat is aangevoerd dat verzoekster na al die jaren duidelijkheid behoort te krijgen over haar aanspraak. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ziet op het opheffen van de schorsende werking van het ingediende hoger beroep van het College, zodat het College alsnog, maar dan op basis van de Wmo, een nieuwe beslissing op het bezwaar van verzoekster neemt.

5. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Artikel 19 van de Beroepswet (hierna: Bw) bepaalt dat de werking van een uitspraak met betrekking tot een besluit, genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat is opgenomen in onderdeel C, onder 1 tot en met 24, van de bijlage bij de Bw, wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of, indien hoger beroep is ingesteld, op het hoger beroep is beslist. De Wvg staat vermeld onder nummer 7a van deze bijlage.

5.2. Gelet op de omstandigheden van het concrete voorliggende geval, waarin verzoekster in 2005 woonvoorzieningen in de vorm van een woningaanpassing en een verhuis- en herinrichtingskostenvergoeding heeft aangevraagd, waarop eerst medio 2007 - en dan uitsluitend voor zover het gaat om de woningaanpassing - door het College is beslist omdat de aanvragen in het ongerede zijn geraakt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat een redelijke uitleg van het in artikel 40 van de Wmo neergelegde overgangsrecht meebrengt dat op de aanvraag van verzoekster voor een woningaanpassing in het onderhavige geval de Wvg van toepassing is gebleven. Dit betekent dat aan het instellen van hoger beroep door het College, gezien artikel 19 van de Beroepswet dat verwijst naar 7a van de bijlage C bij de Beroepswet, schorsende werking verbonden is.

5.3. De voorzieningenrechter vat het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen op als een verzoek om de schorsende werking van het hoger beroep op te heffen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het College de aanvraag van verzoekster van een woningaanpassing niet zorgvuldig heeft behandeld door deze in het ongerede te laten geraken en door daarop eerst na zeer geruime tijd een beslissing te nemen. De voorzieningenrechter vindt daarin aanleiding om de voorlopige voorziening te treffen dat het College binnen acht weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van verzoekster met betrekking tot de woningaanpassing dient te nemen.

5.4. De voorzieningenrechter stelt verder, gezien het verhandelde ter zitting, vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het College niet bevoegd is om een beslissing te nemen op de aanvraag van een herinrichtingskostenvergoeding. De voorzieningenrechter heeft verder vastgesteld dat ter zitting is gebleken dat het College deze aanvraag in april 2005 heeft doorgezonden aan de gemeente Ede. Dit betekent dat verzoekster er geen spoedeisend belang bij heeft dat het College op die aanvraag een beslissing neemt. Dit betekent dat het verzoek om een voorlopige voorziening in zoverre wordt afgewezen.

6. Het verzoek om bij wege van voorlopige voorziening schadevergoeding toe te kennen wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de burgerlijke vrijheden, komt niet voor toewijzing in aanmerking, reeds niet omdat de in dat artikel bedoelde redelijke termijn niet verstreken is.

7. De voorzieningenrechter vindt aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van verzoekster. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor in verband met deze voorlopige voorziening gemaakte kosten wegens verleende rechtsbijstand en op € 43,20 voor door verzoekster in verband hiermee gemaakte reiskosten, in totaal derhalve € 687,20.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Treft de voorlopige voorziening dat het College binnen acht weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van verzoekster met betrekking tot de woningaanpassing dient te nemen;

Wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af voor zover het betreft de verhuis- en herinrichtingskostenvergoeding;

Veroordeelt het College in de kosten van verzoekster tot een bedrag van € 687,20, te betalen door de gemeente Lingewaard;

Gelast de gemeente Lingewaard aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht ad

€ 107,-- te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2008.

(get.) R.M. van Male.

(get.) J. Waasdorp.

IJ