Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG4477

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-10-2008
Datum publicatie
17-11-2008
Zaaknummer
06-1752 Aw en 06-7040 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering en bovenwettelijke uitkering. De gewerkte uren bij een andere afdeling zijn betaald als overuren. Geen aanstelling, dus ook geen ontslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2009/66
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1752 AW en 06/7040 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 15 februari 2006, 05/279 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 30 oktober 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Op 7 december 2006 heeft appellant ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit op bezwaar genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.G. Kerkhof, advocaat te ’s-Hertogenbosch. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. T.G.M. Gersjes, advocaat te Eindhoven.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.

1.1. Betrokkene was voor 18 uur per week aangesteld als medewerkster beslaglegging op de [afdeling 1] van de gemeente Helmond. In de periode van 19 juni 2000 tot en met 28 maart 2002 heeft betrokkene daarnaast bij de [afdeling 2] werkzaamheden verricht in het kader van de Wet Voorzieningen Gehandicapten (WVG). Het betrof hier werkzaamheden voor gemiddeld ongeveer 25 uur per week bij een andere afdeling, een andere chef en op een lager salarisniveau. Deze werkzaamheden werden aangemerkt als overwerk en betrokkene is daarvoor ook als zodanig betaald.

1.2. Nadat aan deze werkzaamheden op 29 maart 2002 een einde was gekomen, heeft betrokkene bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv) een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd alsmede een bovenwettelijke uitkering als bedoeld in hoofdstuk 10a van de Collectieve Arbeidsvoor-waardenregeling (hierna: CAR) van de gemeente Helmond. Bij besluit van 26 juni 2002, zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 oktober 2002 is betrokkene door het Uwv een WW-uitkering ontzegd op de grond dat zij niet werkloos is geworden omdat geen sprake is van arbeidsurenverlies. Hiertoe heeft het Uwv gesteld dat de gewerkte uren bij de [afdeling 2] als overuren dienen te worden aangemerkt en overuren niet zijn aan te merken als arbeidsuren in de zin van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW. Reeds omdat betrokkene geen aanspraak kon maken op een WW-uitkering en daarmee niet voldeed aan (één van) de voorwaarden voor toekenning van een bovenwettelijke uitkering, heeft appellant betrokkene die uitkering bij (afzonderlijke) besluiten van 26 juni 2002 en 16 oktober 2002 eveneens geweigerd.

1.3. De rechtbank heeft bij uitspraak van 26 oktober 2004 het WW-besluit van 16 oktober 2002 vernietigd. Naar het oordeel van de rechtbank waren de door betrokkene bij de [afdeling 2] gewerkte uren, onder meer gelet op de aard en omvang ervan, voor de toepassing van de WW niet aan te merken als overwerkuren, zodat die uren niet om die reden buiten de berekening van het arbeidsurenverlies mochten worden gehouden. Ook waren er volgens de rechtbank geen andere gronden om die uren bij de berekening van het arbeidsurenverlies buiten beschouwing te laten. Omdat door de vernietiging van het WW-besluit tevens de grondslag aan de handhaving van de ontzegging van een bovenwettelijke uitkering was ontvallen, heeft de rechtbank ook dat besluit vernietigd.

1.4. Het Uwv heeft in deze uitspraak berust en betrokkene alsnog met ingang van 1 april 2002 een WW-uitkering toegekend.

1.5. Bij het thans in geding zijnde besluit van 22 december 2004 heeft appellant opnieuw betrokkene aanspraak op een bovenwettelijke uitkering ontzegd. Hieraan ligt de overweging ten grondslag dat er geen sprake is van een ontslag dat op grond van artikel 10a:2 van de CAR aanspraak geeft op een bovenwettelijke uitkering.

2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door betrokkene tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Daarbij is de rechtbank, gelet ook op hetgeen in de uitspraak van 26 oktober 2004 is overwogen met betrekking tot de aard en omvang van de door betrokkene verrichte werkzaamheden, voor de beoor-deling van het geschil uitgegaan van de fictie dat betrokkene geacht wordt aangesteld te zijn geweest voor de werkzaamheden bij de [afdeling 2]. De rechtbank zag voorts in het bepaalde in artikel 10a:2, eerste lid, aanhef en onder b, van de CAR geen beletsel om betrokkene een bovenwettelijke uitkering toe te kennen, nu er geen enkel aanknopingspunt is om aan te nemen dat zich één van de ontslaggronden die geen aanspraak geven op een bovenwettelijke uitkering voordoet.

2.2. Appellant handhaaft in hoger beroep het standpunt dat er geen sprake is (geweest) van een aanstelling, zodat er ook geen ontslag heeft plaatsgevonden. Nu er geen ontslag heeft plaatsgevonden, kan er ook geen bovenwettelijke uitkering worden toegekend.

2.3. In het verweerschrift heeft betrokkene onder meer gesteld dat de Raad aan een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep niet kan toekomen, gelet op hetgeen de rechtbank in haar onherroepelijk geworden uitspraak van 26 oktober 2004 heeft overwogen. Zo appellant zich daarmee niet had kunnen verenigen, had hij tegen die uitspraak hoger beroep dienen in te stellen. Voor het overige sluit betrokkene zich aan bij het in de aangevallen uitspraak weergegeven oordeel. Daarnaast acht betrokkene het in strijd met goed werkgeverschap om haar na te dragen dat zij nimmer bezwaar heeft gemaakt tegen de wijze waarop appellant haar heeft betaald voor haar werkzaamheden.

2.4. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant betrokkene bij besluit van 7 december 2006 een bovenwettelijke uitkering toegekend, gebaseerd op een verlies aan arbeidsuren van 27 uur en 16 minuten per week.

3. De Raad overweegt het volgende.

3.1. Op grond van het bepaalde in het eerste lid van artikel 10a:2 van de CAR heeft recht op een aanvullende uitkering de betrokkene die:

a. recht heeft op een uitkering krachtens de artikelen 15 tot en met 21 van de Werkloosheidswet en

b. werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van artikel 8:4, 8:5, 8:6, 8:7, onderdeel a of c, 8:8 en 8:12.

3.2. De Raad volgt betrokkene niet in haar stelling dat aan een inhoudelijke beoordeling niet kan worden toekomen, nu appellant geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 26 oktober 2004. In die uitspraak heeft geen inhoudelijke beoordeling van betrokkenes aanspraken op een bovenwettelijke uitkering plaatsgevonden. Het feit dat de in geding zijnde uren voor het beoordelen van het recht op WW-uitkering niet als overuren kunnen worden aangemerkt staat los van het antwoord op de vraag of betrokkene aan artikel 10a:2 van de CAR aanspraak op een bovenwettelijke uitkering kon ontlenen.

3.3. Ook uit artikel 10a:2, eerste lid, aanhef en onder b, van de CAR blijkt, anders dan door betrokkene ter zitting is betoogd, dat een aanspraak op een WW-uitkering niet automatisch een aanspraak op bovenwettelijke uitkering oplevert, maar dat een aanvraag om bovenwettelijke uitkering een aparte beoordeling vergt, waarbij wordt bezien wat de grondslag van het ontslag is geweest.

3.4. Voor de Raad staat vast en door betrokkene is niet betwist, dat de door betrokkene gewerkte uren zijn aangemerkt en uitbetaald als overuren. Zo geschiedde de beloning naar de salarisschaal waarin betrokkene was aangesteld en niet naar de (lagere) salarisschaal, behorende bij de werkzaamheden die betrokkene op de [afdeling 2] daadwerkelijk verrichtte. Daarbij heeft betrokkene de voor overwerk toepasselijke toeslagen ontvangen, waarmee appellant (tevens) beoogde het gemis aan aanspraak op vakantie- en verlofdagen over die uren te compenseren. Wat er ook zij van de beweeg-redenen van appellant voor het toepassen van een dergelijke constructie, vastgesteld moet worden dat betrokkene nimmer formeel bij de [afdeling 2] is aangesteld. Evenmin zijn de werkzaamheden op die afdeling op een andere wijze geformaliseerd, bijvoorbeeld door een tijdelijke taakuitbreiding. Ook indien al zou moeten worden aangenomen dat betrokkene zich hiermee niet kon verenigen, moet worden gezegd dat betrokkene deze handelwijze heeft geaccepteerd. Pas toen de werkzaamheden reeds waren geëindigd heeft betrokkene appellant verzocht haar alsnog aan te stellen, welk verzoek door appellant is afgewezen en waartegen betrokkene geen (verdere) rechtsmiddelen heeft aangewend.

3.5. Anders dan de rechtbank ziet de Raad onder de gegeven omstandigheden geen reden om uit te gaan van de fictie dat betrokkene geacht wordt aangesteld te zijn geweest voor de werkzaamheden bij de [afdeling 2]. Uitgaande van het gegeven dat betrokkene voor de door haar gewerkte uren geen aanstelling of taakuitbreiding is verleend, moet vervolgens worden geconcludeerd dat betrokkene bij afloop van die werkzaamheden evenmin ontslag is verleend. Nu er geen sprake was van ontslag, voldoet betrokkene niet aan de voorwaarde van artikel 10a:2, eerste lid, aanhef en onder b, van de CAR voor toekenning van een bovenwettelijke uitkering en is haar die uitkering terecht ontzegd. Daargelaten of appellant heeft gehandeld in strijd met goed werkgeverschap, die strijd kan er in ieder geval niet toe leiden dat betrokkene op die grond in afwijking van de toepasselijke regelgeving, aanspraak zou moeten verkrijgen op een bovenwettelijke uitkering.

4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het door betrokkene tegen het besluit van 22 december 2004 ingestelde beroep ongegrond verklaren. Aan het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 7 december 2006, dat op de voet van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht wordt onderdeel van dit geding uit te maken, komt door de vernietiging van die uitspraak de grondslag te ontvallen, zodat ook dit besluit moet worden vernietigd.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 22 december 2004 ongegrond;

Vernietigt het besluit van 7 december 2006.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en H.G. Rottier en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.B. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2008.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) M.B. de Gooijer.

HD

Q