Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG3737

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-10-2008
Datum publicatie
11-11-2008
Zaaknummer
06/1692 WAO + 06/1693 WAO + 06/1694 ZW + 07/5520 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Meerdere besluiten. Herziening WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%: afzien van een lichamelijk onderzoek. Herziening WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Terugvordering van de verstrekte voorschotten. Weigering ziekengeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1692 WAO

06/1693 WAO

06/1694 ZW

07/5520 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Roermond van 30 januari 2006, 05/325, 05/326 en 05/1069 (hierna: aangevallen uitspraak 1) en 31 juli 2007, 07/322 (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 oktober 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.C.M. Smit, advocaat te Weert, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2008. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Smit. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.J. Ambrosius.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als grondwerker. Na een bedrijfsongeval, waarbij appellant zijn rechterhand heeft geblesseerd, heeft hij zich per 12 november 1996 ziek gemeld. Na afloop van de wachttijd van 52 weken is aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Deze uitkering is -uiteindelijk- per 1 mei 2001 herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100% in verband met de klachten van appellant van zijn rechterheup. In november 2001 is appellant geopereerd en is een heupprothese geplaatst. Na afloop van de revalidatieperiode is appellant op 28 augustus 2002 opnieuw gezien door de verzekeringsarts J.J.M. Crijns, die tot de conclusie is gekomen dat appellant beperkingen ondervindt in verband met de aandoening van zijn rechterpols alsmede in verband met de heupprothese. Deze beperkingen zijn weergegeven in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 28 augustus 2002. Na onderzoek is arbeidsdeskundige W. van Griensven tot de conclusie gekomen dat appellant met inachtneming van de voor hem vastgestelde beperkingen in staat is een aantal functies te vervullen waarmee hij een zodanig inkomen kan verdienen dat sprake is van een verlies aan verdiencapaciteit van 33,19%. Bij besluit van 12 november 2002 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 29 december 2002 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.2. Bij besluit van 9 april 2003 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 november 2002 ongegrond verklaard. De rechtbank Roermond heeft bij uitspraak van 23 oktober 2003 het beroep van appellant tegen het besluit van 9 april 2003 ongegrond verklaard. Hangende de procedure in hoger beroep heeft het Uwv de Raad bericht dat het besluit van 9 april 2003 wordt ingetrokken omdat de (senior) stafbezwaararbeidsdeskundige tot de conclusie was gekomen dat enkele van de geselecteerde functies minder geschikt zijn voor appellant en dat de resterende functies te weinig arbeidsplaatsen vertegenwoordigen om daarop de schatting te kunnen baseren. Bij uitspraak van 11 augustus 2006, 03/5930 WAO, heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank van 23 oktober 2003 en het besluit op bezwaar van 9 april 2003 vernietigd en bepaald dat het Uwv een nader besluit zal nemen met inachtneming van de uitspraak van de Raad.

1.3. Vervolgens heeft bezwaararbeidsdeskundige J.J. van der Naald opnieuw onderzoek gedaan naar de arbeidsmogelijkheden van appellant en is daarbij tot de conclusie gekomen dat appellant in staat is de functies van bezorger leesportefeuilles (SBC-code 111230), assistent consultatiebureau (SBC-code 372091), meteropnemer (SBC-code 315181) en verkoper groothandel (SBC-code 317012) te vervullen. Deze functies, die arbeidsdeskundige Van Griensven ook reeds voor appellant had geselecteerd, vertegenwoordigen, zoals nader onderzoek heeft uitgewezen, op 29 december 2002 voldoende arbeidsplaatsen. Appellant is geïnformeerd over de bevindingen van de bezwaararbeidsdeskundige en is in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Nadat appellant schriftelijk en tijdens een hoorzitting mondeling zijn bezwaren heeft toegelicht, heeft het Uwv bij besluit van 29 januari 2007 (hierna: bestreden besluit 1) het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 november 2002 in zoverre gegrond verklaard dat de WAO-uitkering met ingang van 29 december 2002 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

2. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich vanuit een situatie waarin hij tevens een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving per 23 januari 2003 ziek gemeld. Bij besluit van 20 februari 2004 heeft het Uwv in afwachting van de resultaten van het onderzoek of de WAO-uitkering met ingang van 22 januari 2004 zal worden verhoogd, aan appellant met ingang van die datum een voorschot verstrekt van € 51,72 bruto per uitkeringsdag. Bij besluit van 23 juni 2004 heeft het Uwv bepaald dat de WAO-uitkering van appellant per 22 januari 2004 niet wordt herzien en ongewijzigd wordt berekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35%. Appellant heeft geen bezwaar gemaakt tegen het besluit van 23 juni 2004. Bij besluit van 30 augustus 2004 heeft het Uwv de aan appellant over de periode van 22 januari 2004 tot en met 31 juli 2004 betaalde voorschotten ten bedrage van € 5.356,70 bruto van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 8 februari 2005 (hierna: bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 30 augustus 2004 ongegrond verklaard.

4. Verzekeringsarts Crijns heeft appellant opnieuw gezien op het spreekuur op 1 maart 2004. Mede op basis van de ontvangen informatie van de behandelend neuroloog F.A. Rooyer is de verzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat behoudens degeneratie van de wervelkolom geen afwijkingen aan de rug zijn vastgesteld en dat er geen reden bestaat tot wijziging van de FML van 28 augustus 2002. Vervolgens heeft een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. De arbeidsdeskundige heeft voor appellant 13 functies geselecteerd die in overeenstemming werden geacht met de beperkingen van appellant en die resulteerden in een verlies aan verdiencapaciteit van 10,64%. Bij besluit van 23 juni 2004 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 4 augustus 2004 ingetrokken. Tijdens de bezwaarprocedure is bezwaararbeidsdeskundige P.M.J. Kursten tot de conclusie gekomen dat twee van de functies ten onrechte voor appellant zijn geselecteerd en dat de resterende functies, waaronder die van productiemedewerker filetafdeling (SBC-code 111172), slotenmaker (SBC-code 264140), productmanager (SBC-code 516150) en telemarketeer (SBC-code 516180), leiden tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 16,12%. Bij besluit van 31 januari 2005 (hierna: besluit 3) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 juni 2004 in zoverre gegrond verklaard dat de WAO-uitkering per 4 augustus 2004 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

5. Appellant heeft zich op 10 september 2004 ziek gemeld in verband met rugklachten ter zake waarvan aan hem een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) is toegekend. Appellant is meerdere keren gezien op het spreekuur van verzekeringsartsen, die tevens informatie hebben ingewonnen bij neuroloog V.H.J.M. Triebels en appellants huisarts J.W.M. Wijnhoven. Laatstelijk is appellant op 14 februari 2005 gezien op het spreekuur van verzekeringsarts B. Simons, die na overleg met een arbeidsdeskundige tot de conclusie is gekomen dat van de eerder geselecteerde functies die van beheerder/huismeester, samensteller metaalwaren, productmanager en telemarketeer niet belastend zijn voor rug en heupen en derhalve in principe voor appellant geschikt zijn. Bij besluit van 15 februari 2005 heeft het Uwv bepaald dat appellant met ingang van 21 februari 2005 geen recht heeft op ziekengeld. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 15 februari 2005. Bezwaarverzekeringsarts J.L. Waasdorp is op basis van de verkregen informatie van revalidatiearts A.M.H. Tinga-Derks en de bevindingen van het onderzoek op de hoorzitting-spreekuur van 17 mei 2005 tot de conclusie gekomen dat gelet op de voorhanden zijnde medische gegevens en ondanks het klachtenpatroon en de mening van appellant er geen redenen zijn om het standpunt van verzekeringsarts Simons voor onjuist te houden. Bij het besluit van 10 juni 2005 (hierna: bestreden besluit 4) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 februari 2005 ongegrond verklaard.

6. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen de bestreden besluiten 2 en 4 ongegrond verklaard. Bij die uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit 3 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand gelaten omdat het Uwv in de beroepsfase de noodzakelijke onderbouwing, toelichting en/of motivering heeft gegeven dat de aan het besluit ten grondslag liggende functies in overeenstemming zijn met de beperkingen van appellant. Tevens heeft de rechtbank beslissingen gegeven inzake vergoeding van proceskosten en griffierecht.

7.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak 2 ten onrechte de op verzoek van appellant uitgebrachte rapporten van verzekeringsarts H.J.M. Stammers terzijde heeft geschoven. Deze arts heeft appellant lichamelijk onderzocht en is daarbij tot de conclusie gekomen dat in verband met de rugbelastbaarheid en de polsproblematiek grotere beperkingen aangenomen hadden moeten worden. Deze beperkingen zijn weergegeven in een belastbaarheidsprofiel van 24 maart 2004. Appellant is, mede gelet op de informatie van neuroloog Rooyer en van anesthesioloog V.C.P.C. van Dongen, van mening dat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts destijds volstrekt voorbij gegaan zijn aan zijn rugproblematiek en dat het bestreden besluit 1 berust op een onzorgvuldig onderzoek. Volgens appellant is de geselecteerde functie van consultatiebureaumedewerker ten onrechte als passend aangemerkt gelet op de opleidingsvereisten, de vereiste vaardigheden en de daarbij voorkomende belasting van tillen, zitten en staan. Bij de functie van bezorger ligt het probleem onder meer in tillen en trappenlopen. De functie van meteropnemer is volgens appellant niet geschikt omdat daarin veelvuldig moet worden geknield of gehurkt.

7.2.1. In hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 1 heeft appellant aangevoerd dat de functies die aan de herziening van zijn WAO-uitkering naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 15 tot 25% per 4 augustus 2004 ten grondslag liggen niet in overeenstemming zijn met zijn beperkingen. Zo is de tilbelasting in diverse functies hoger dan appellant aankan, worden opleidingseisen genegeerd, wordt fijne motoriek vereist waarover hij niet beschikt en wordt geen rekening gehouden met het werkterrein. Appellant is van mening dat zijn klachten en beperkingen zijn verergerd, hetgeen de verzekeringsartsen gemakshalve van tafel hebben geveegd. In dit verband wijst appellant op de medische rapportages van verzekeringsarts Stammers die in eerste aanleg in het geding zijn gebracht.

7.2.2. Naar de mening van appellant is het besluit tot terugvordering van de betaalde voorschotten ten onrechte genomen omdat de Raad nog niet definitief heeft beslist in de reeds aanhangige procedure. Tevens had het Uwv wegens dringende redenen van terugvordering dienen af te zien. Appellant heeft aangevoerd dat zijn financiële positie penibel is en hij met zijn gezin met een beperkt inkomen moet rondkomen.

7.2.3. Ten aanzien van de weigering van ziekengeld per 21 februari 2005 heeft appellant onder verwijzing naar de eerder ingebrachte medische rapportages aangevoerd dat hij niet in staat is de aan bestreden besluit 4 ten grondslag gelegde functies te vervullen. Naar de mening van appellant is de lichamelijke belasting van deze functies onder meer ten aanzien van tillen, zitten en staan voor hem te zwaar.

07/5520 WAO

8.1. In dit geding staat de Raad voor de beantwoording van de vraag of het Uwv bij het bestreden besluit 1 terecht de WAO-uitkering van appellant met ingang van 29 december 2002 heeft herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

8.2.1 De Raad kan het standpunt van appellant dat dit herzieningsbesluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is genomen omdat daaraan geen lichamelijk onderzoek door een verzekeringsarts vooraf is gegaan in zoverre onderschrijven dat een dergelijk onderzoek de zorgvuldigheid van de beoordeling van appellants lichamelijke gesteldheid ten goede was gekomen. Bezwaarverzekeringsarts Waasdorp heeft in zijn rapportage van 8 december 2006 erkend dat het, achteraf bezien, misschien beter was geweest dat toch een lichamelijk onderzoek was verricht. De Raad is evenwel niet tot het oordeel gekomen dat het afzien van een lichamelijk onderzoek ertoe moet leiden dat het bestreden besluit 1 wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel niet in stand kan blijven.

8.2.2. Bij het onderzoek op 28 augustus 2002 heeft verzekeringsarts Crijns de beschikking gehad over het rapport dat orthopedisch chirurg S.M. Haarsma op verzoek van een andere verzekeringsarts op 11 december 2000 heeft uitgebracht. Haarsma heeft bij het onderzoek geen ernstige afwijkingen aan het rechterpolsgewricht en de knieën gevonden en de rechterschouderklachten niet als van ernstige aard aangemerkt. Bij dat onderzoek zijn wel een forse beperking van de mobiliteit en forse slijtage van de rechterheup vastgesteld. In verband met de heupklachten is appellants WAO-uitkering per 1 mei 2001 herzien naar de klasse 80 tot 100%. Bij onderzoek op 11 februari 2002 is Crijns tot de conclusie gekomen dat het verloop van de revalidatie na het plaatsen van de heupprothese moet worden afgewacht. Tijdens het spreekuur op 28 augustus 2002 is Crijns gebleken dat appellant behoudens een onderhoudsbehandeling bij de fysiotherapeut geen behandeling meer krijgt. De verzekeringsarts is op basis van de anamnese en observaties tot de conclusie gekomen dat de heup met succes is vervangen en dat de polsaandoening geen aanleiding geeft tot meer beperkingen dan in 1997 zijn aangenomen. In bezwaar is onder verwijzing naar bijgevoegde medische gegevens, waaronder een radiologiebericht van 3 december 2002, aangevoerd dat appellant rugklachten heeft omdat enkele lendenwervels versleten zijn. Bezwaarverzekeringsarts J.H.M. de Brouwer is evenwel tot de conclusie gekomen dat het ingezonden radiologiebericht tegenspreekt dat wervels versleten zijn. Naar de mening van die arts is slechts sprake van lichte afwijkingen die er niet toe leiden dat de mogelijkheden om de rug te belasten in relevante mate zijn afgenomen en dat de klachten niet zodanig zijn dat die in de weg staan aan het verrichten van lichtere vormen van arbeid waarop appellant toch al aangewezen is. In reactie op de brief van neuroloog dr. H.W.M. Anten van 25 november 2003, die appellant op 17 november 2003 heeft onderzocht in verband met de sinds enkele maanden bestaande pijn in zijn rug met uitstraling naar het rechterbeen, en het MRI-onderzoek op 24 november 2003 heeft de bezwaarverzekeringsarts opgemerkt dat deze klachten dateren van medio 2003 en los staan van de reeds bekende rugklachten die aan de geschiktheid voor lichtere vormen van arbeid niet in de weg staan.

8.2.3. De Raad is niet gebleken dat de (bezwaar)verzekeringartsen de rugklachten van appellant in december 2002 in onvoldoende mate hebben onderkend en dat een onjuiste inschatting is gemaakt van de aard van de vastgestelde afwijkingen. Uit de gedingstukken, waaronder de brieven van de neurologen dr. Anten en Rooyer, kan niet worden afgeleid dat de radiculaire rugklachten, die zich eerst vanaf medio 2003 hebben geopenbaard, al in december 2002 bestonden. Verzekeringsarts Stammers heeft in zijn rapport van 24 maart 2004 erkend dat ten tijde hier in geding de radiculaire klachten niet bestonden, maar was van mening dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat de onderliggende problematiek van de wervelkolom destijds in volle omvang aanwezig was. De Raad stelt vast dat Stammers niet heeft aangegeven welke aanwijzingen hij daarvoor heeft gevonden, terwijl dergelijke aanwijzingen niet uit de rapporten van de neurologen vallen af te leiden. De Raad gaat er derhalve van uit dat de FML van 28 augustus 2002 een juiste weergave vormt van de medische beperkingen die appellant, naar objectieve maatstaven gemeten, ondervindt.

8.3. Bezwaararbeidsdeskundige Van der Naald heeft in zijn rapportages van 1 november 2006 en 24 januari 2007 toegelicht dat de hiervoor onder 1.3. genoemde functies in overeenstemming zijn met de krachten en bekwaamheden van appellant. De Raad acht deze toelichting toereikend, behoudens ten aanzien van de belasting van het trappenlopen in de functie van meteropnemer. De bezwaararbeidsdeskundige is ervan uitgegaan dat in deze functie gedurende acht werkuren per dag een belasting voorkomt van twee maal ongeveer 20 treden achtereen en 14 maal ongeveer 15 treden achtereen. Uit het formulier resultaat functiebeoordeling behorende bij deze functie blijkt evenwel dat de belasting van het trappenlopen hoger is in die zin dat gedurende acht werkuren twee maal ongeveer 40 treden achtereen en 14 maal ongeveer 15 treden achtereen voorkomt. De Raad heeft evenwel geconstateerd dat de geselecteerde functie van verkoper groothandel wel toereikend is toegelicht en dat het vervangen van de functie van meteropnemer door die van verkoper groothandel niet leidt tot een ander arbeidsongeschiktheidspercentage. Hoewel de Raad onderkent dat de functie van assistent consultatiebureau, mede gelet op de laatstelijk door appellant uitgeoefende functie van grondwerker, niet de meest voor de hand liggende functie is om aan de schatting ten grondslag te leggen, heeft de Raad onvoldoende aanknopingspunten gevonden om deze -gangbare- functie voor appellant als ongeschikt aan te merken. De in deze functie voorkomende functiebelasting is in overeenstemming met de beperkingen van appellant onder meer op het onderdeel tillen, aangezien daarin het toegestane maximumgewicht van 10 kg. niet wordt overschreden. Voorts blijkt uit de arbeidsmogelijkhedenlijst dat bij deze functie als opleidingeis geldt MAVO/VBO-niveau (geen diploma), waaraan appellant onmiskenbaar voldoet, terwijl ervaring niet vereist is.

8.4. De Raad is derhalve van oordeel dat het bestreden besluit 1 op een toereikende medische en arbeidskundige grondslag berust, zodat de aangevallen uitspraak 2 voor bevestiging in aanmerking komt.

06/1692 WAO

9.1. In dit geding is aan de orde de vraag of de herziening van de WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% met ingang van per 4 augustus 2004 stand kan houden. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

9.2. Verzekeringsarts Crijns is mede op basis van de ontvangen informatie van neuroloog Rooyer tot de conclusie gekomen dat uitsluitend sprake is van degeneratie van de wervelkolom, die niet tot extra beperkingen aanleiding geeft. De opgestelde FML van 14 april 2004 is derhalve gelijk aan die van 28 augustus 2002. Bezwaarverzekeringsarts P.M.H-J. Tjen, die kennis heeft genomen van de rapportages van verzekeringsarts Stammers van 24 maart 2004 en 20 september 2004 en de daarbij gevoegde belastbaarheidsprofielen, heeft mede op basis van de bestaande diagnostische gegevens geen reden gevonden om de ingeschatte belastbaarheid per 4 augustus 2004 anders te kwalificeren dan per 29 december 2002. In de rapportage van 20 september 2004 heeft Stammers als kernprobleem van deze casus aangemerkt dat de verzekeringsarts de betekenis van de voor neuroloog Rooyer gerapporteerde degeneratieve afwijkingen sterk bagatelliseert. Volgens Stammers sluit de informatie van anesthesioloog V.C.P.C. van Dongen, die bij brief van 13 juli 2004 melding heeft gemaakt van een ernstige functionele beperking van de rug en van paravertebrale drukpijn waarbij de betrokkenheid van de facetgewrichten zeer aannemelijk wordt geacht, aan bij de informatie van neuroloog Rooyer. Hoewel deze gegevens een ondersteuning vormen voor appelants pijnklachten, is de Raad evenwel niet tot de overtuiging gekomen dat de (bezwaar)verzekeringsartsen de rugbelastbaarheid van appellant onjuist hebben ingeschat. In dit verband hecht de Raad betekenis aan de bevindingen van revalidatiearts Tinga-Derks, zoals weergegeven in haar brief van 3 februari 2005. De revalidatiearts is na lichamelijk onderzoek tot de conclusie gekomen dat appellant een scala van somatische klachten heeft waarbij psychosociale problematiek duidelijk op de voorgrond staat. Zij heeft geen revalidatie-indicatie vastgesteld, maar aanleiding gevonden om appellant dringend te adviseren meer te gaan bewegen. De Raad heeft onvoldoende reden gevonden om te oordelen dat de ongewijzigde FML niet langer een juiste weergave vormt van de beperkingen van appellant op 4 augustus 2004.

9.3. Uit de rapportage van bezwaararbeidsdeskundige Kursten van 25 april 2007 volgt dat nader onderzoek heeft uitgewezen dat van de oorspronkelijk geselecteerde 13 functies uiteindelijk slechts vier functies, die van productiemedewerker filetafdeling, slotenmaker (behorende tot de SBC-code 264140, samensteller metaalwaren), productmanager en telemarketeer, in overeenstemming worden geacht met de beperkingen van appellant. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaararbeidsdeskundige, overigens eerst tijdens de procedure in hoger beroep, toereikend toegelicht dat in deze functies de belastbaarheid van appellant niet wordt overschreden. Bovendien is aannemelijk dat appellant kan voldoen aan de opleidings- en ervaringseisen die voor deze functies gelden. De Raad is derhalve met de rechtbank van oordeel dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit 3 in stand kunnen blijven, zodat de aangevallen uitspraak 1 voor zover die betrekking heeft op bestreden besluit 3 en voor zover die is aangevochten voor bevestiging in aanmerking komt.

06/1693 WAO

10.1. In dit geding is de vraag aan de orde of het Uwv bij het bestreden besluit 2 het besluit tot terugvordering van de verstrekte voorschotten over de periode van 22 januari 2004 tot en met 31 juli 2004 terecht heeft gehandhaafd.

10.2. De Raad stelt voorop dat het Uwv tot terugvordering van voorschotten heeft kunnen overgaan nadat bij besluit van 23 juni 2004 was bepaald dat de WAO-uitkering van appellant per 22 januari 2004 niet wordt herzien en ongewijzigd wordt berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Bovendien heeft appellant tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt. Bij het besluit van 30 augustus 2004, gehandhaafd bij het bestreden besluit 2, heeft het Uwv van appellant een bedrag van € 5.356,70 teruggevorderd, het verschil tussen het toegekende voorschot dat gebaseerd was op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, en de uitkering naar de arbeidsongeschiktheidklasse 25 tot 35%. Het bestreden besluit 1 houdt in dat appellant vanaf 29 december 2002 recht heeft op een WAO-uitkering naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 55 tot 65%. De gemachtigde van het Uwv heeft ter zitting van de Raad verklaard dat uit bestreden besluit 1 tevens voortvloeit dat appellant over de periode van 22 januari 2004 tot 4 augustus 2004 recht heeft op een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65% en dat aan het bestreden besluit 1 nog geen uitvoering is gegeven.

10.3. Uit 10.2 vloeit voort dat als gevolg van het bestreden besluit 1 de feitelijke grondslag aan het bestreden besluit 2 in zoverre is komen te ontvallen dat de terugvordering beperkt dient te blijven tot het verschil tussen de verstrekte voorschotten naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80 tot 100% en de WAO-uitkering naar de klasse 55 tot 65%. De Raad ziet derhalve aanleiding het bestreden besluit 2 en de aangevallen uitspraak 1, voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond is verklaard, te vernietigen en te bepalen dat het Uwv een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 30 augustus 2004.

06/1694 ZW

11. In dit geding staat de Raad voor de beantwoording van de vraag of appellant met in gang van 21 februari 2005 op goede gronden ziekengeld ingevolge de ZW is geweigerd.

11.1. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, recht op ziekengeld.

11.2. Bij herhaling heeft de Raad vastgesteld dat onder “zijn arbeid” in voormelde zin dient te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op uitkering ingevolge de WAO. Dit betekent dat terzake van het ziektegeval van appellant als maatstaf dient te worden aangelegd de arbeid verbonden aan de functies die voor hem bij de beoordeling in het kader van de WAO in 2004 zijn geselecteerd. Nu evenvermelde concretisering in het kader van de WAO betekent, dat een aantal functies ieder afzonderlijk voor de betrokkene geschikt is geacht, dient onder “zijn arbeid” in de zin van artikel 19 van de ZW te worden verstaan elk van deze functies afzonderlijk.

11.3. Verzekeringsarts Simons is tijdens het spreekuuronderzoek op 14 februari 2005, mede op basis van de verkregen informatie van appellants huisarts en na overleg met een arbeidsdeskundige, tot de conclusie gekomen dat appellant in staat is de eerdere geselecteerde functies van samensteller metaalwaren (slotenmaker), productmanager en telemarketeer te vervullen, functies die niet belastend zijn voor de rug en heupen. Bezwaarverzekeringsarts Waasdorp, die appellant tijdens de hoorzitting-spreekuur op 17 mei 2005 lichamelijk heeft onderzocht en die informatie heeft verkregen van revalidatiearts Tinga-Derks, heeft het standpunt van de primaire verzekeringsarts onderschreven. Bezwaarverzekeringsarts R.J. Vervloet heeft de brieven van anesthesioloog Van Dongen, die tijdens de procedure in eerste aanleg zijn ingebracht, in ogenschouw genomen en heeft daarin geen medische argumenten gevonden om af te wijken van het primaire medische oordeel. In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd heeft de Raad onvoldoende aanknopingspunten gevonden om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank, zodat aangevallen uitspraak 1 voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit 4 ongegrond is verklaard, voor bevestiging in aanmerking komt.

12. De Raad acht termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant inzake de bestreden besluiten 2 en 3. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal derhalve € 966,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak 1 voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond is verklaard;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit neemt op het bezwaar van appellant tegen het besluit van

30 augustus 2004 met inachtneming van deze uitspraak;

Bevestigt de aangevallen uitspraak 1, voor zover aangevochten, voor het overige;

Bevestigt de aangevallen uitspraak 2;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C.M. van Laar en

J.F. Bandringa als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2008.

(get.) Ch. van Voorst

(get.) E.M. de Bree.

RB