Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG3706

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-12-2008
Datum publicatie
04-12-2008
Zaaknummer
07-3157 MAW
Rechtsgebieden
Civiel recht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongegrondverklaring bezwaar tegen gedeeltelijke terugbetaling opleidingskosten. Betrokkene is op eigen verzoek uit de dienst ontslagen terwijl hij een opleidbaar militair was. Persoonlijke overwegingen zijn bepalend geweest om ontslag te verzoeken. De Raad volgt de rechtbank niet in haar oordeel dat het bestuurorgaan bij zijn besluitvorming over de terugbetaling de door betrokkene aangevoerde omstandigheden onvoldoende in aanmerking heeft genomen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:15
Algemene wet bestuursrecht 8:119
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2009/19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/3157 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Commandant Zeestrijdkrachten, (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 27 april 2007, 06/6353, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[Naam betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)

Datum uitspraak: 4 december 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2008. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.M. Rentema , werkzaam bij het ministerie van Defensie. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door zijn vader [naam vader], wonende te [woonplaats].

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2. Betrokkene is met ingang van 13 augustus 2003 voor onbepaalde tijd aangesteld bij het beroepspersoneel der zeemacht en wel als adelborst van de zeedienst voor het volgen van de opleiding tot beroepsofficier. Betrokkene heeft een verklaring van 13 augustus 2003 ondertekend, waarin onder andere is opgenomen dat aan het volgen van de opleiding een restitutieplicht is verbonden als bedoeld in artikel 13, tweede lid, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (hierna: AMAR).

1.3. Nadat betrokkene zijn eerste (theoretische) opleiding van anderhalf jaar aan het Koninklijk Instituut voor de Marine (KIM) had voltooid, begon voor hem in februari 2005 het traject van de praktische bedrijfsinstructie (BPI). Eind maart 2005 keerde betrokkene terug van een vaartocht van vier weken met een mijnenbestrijdingsvaartuig, aan boord waarvan hij de functie van officier van de wacht had vervuld. Betrokkene heeft direct laten weten dat het varen niets voor hem was en dat hem de functie van wacht-commandant was tegengevallen. Betrokkene, die opleidbaar werd geacht, is vervolgens overgeplaatst naar een ander vaartuig, maar na een tocht van twee weken gaf hij te kennen bij zijn eerdere visie te blijven. In aansluiting hierop heeft betrokkene op 25 april 2005 het verzoek gedaan uit de initiële opleiding te worden ontheven en uit de Rijkszeedienst te worden ontslagen.

1.4. Bij besluit van 6 juni 2005 heeft appellant het verzoek van betrokkene ingewilligd en hem met ingang van 1 juni 2005 eervol ontslag uit de Rijkszeedienst verleend. Tevens is betrokkene, op basis van een advies van 2 mei 2005 van de vlagofficier belast met de officiersvorming van het KIM, verplicht tot gedeeltelijke terugbetaling van de kosten van de opleiding tot het bedrag van € 9.000,-.

1.5. Bij het bestreden besluit van 3 juli 2006 heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen de hem opgelegde terugbetalingsverplichting ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, met bepalingen over het griffierecht. De rechtbank heeft, kort gezegd, overwogen dat appellant bij zijn besluitvorming over de terugbetaling onvoldoende heeft rekening gehouden met de door betrokkene genoemde omstandig-heden en niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot (de hoogte van) de opgelegde restitutieverplichting.

3. Appellant heeft in hoger beroep de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden.

4. De Raad stelt voorop dat appellant terecht heeft opgemerkt dat, indien het beroep terecht gegrond is verklaard, de rechtbank tevens het bestreden besluit had moeten vernietigen. Om vast te stellen of hieraan consequenties verbonden moeten worden dient de Raad eerst de vraag te beantwoorden of de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit terecht gegrond heeft verklaard.

5. Met betrekking tot die vraag overweegt de Raad, gelet op hetgeen partijen hebben aangevoerd, als volgt.

5.1. Artikel 13, tweede lid, van het AMAR bepaalt, voor zover hier van belang, dat aan de aanwijzing voor een initiële opleiding de verplichting is verbonden tot gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de kosten van de opleiding indien de militair na de proeftijd uit de dienst wordt ontslagen.

5.2. Volgens artikel 11, eerste lid, van de Regeling opleiding militairen wordt - kortweg - de militair op grond van artikel 13, tweede lid, van het AMAR, een terugbetalingsplicht opgelegd, voor zover het ontslag uit de dienst het gevolg is van omstandigheden die aan de betrokken militair te wijten zijn.

5.3. De Raad is van oordeel dat dit laatste het geval is. Betrokkene is op eigen verzoek uit de dienst ontslagen terwijl hij een opleidbaar militair was en voor betrokkene, zoals hierna nog nader aan de orde komt, persoonlijke overwegingen bepalend zijn geweest om ontslag te verzoeken. Betrokkene is dan ook tot terugbetaling gehouden.

5.4. In artikel 13, vierde lid, van het AMAR is bepaald dat bij de berekening van het terug te betalen bedrag wordt uitgegaan van een evenwichtige verdeling van risico’s tussen werkgever en werknemer.

5.2. De Raad volgt de rechtbank niet in haar oordeel dat appellant bij zijn besluitvorming over de terugbetaling de door betrokkene aangevoerde omstandigheden onvoldoende in aanmerking heeft genomen. De omstandigheden die betrokkene heeft aangevoerd, in de kern erop neerkomende dat het aan de Rijkszeedienst ligt dat hij zo laat tot de ontdekking kwam dat het varen en de functie van officier van de wacht niet bij hem passen, is in het advies van de vlagofficier niet alleen terug te vinden maar ook in ogenschouw genomen bij de vaststelling van de hoogte van het bedrag van de terugbetaling. Uit dit advies blijkt dat de volledige terugbetalingsverplichting € 13.000,- zou bedragen, op welk bedrag € 1.000,- in mindering is gebracht omdat betrokkene pas na twee maanden in de BPI daadwerkelijk kon gaan varen en voorts een korting van 25% van € 1.2000,- omdat betrokkene relatief weinig vaarervaring heeft kunnen opdoen. Appellant heeft dit advies bij het nemen van primaire besluit opgevolgd.

5.3. Appellant heeft voorts betoogd dat de oorzaak van de in bedoeld advies in aanmerking genomen omstandigheden niet in overwegende mate aan hem als werkgever zijn te verwijten, zoals de rechtbank lijkt te hebben aanvaard. De Raad onderschrijft de strekking van dit betoog. Hij acht beslissend dat, blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting, voor betrokkene persoonlijke motieven, kortweg een te laat onderkende verkeerde beroepskeuze, van doorslaggevende betekenis zijn geweest bij zijn verzoek om ontslag. Het aandeel van appellant hierbij kan niet als overwegend worden gewaardeerd. De Raad is daarom van oordeel dat appellant met de vermindering van het terug te betalen bedrag van

€ 1.3000,- met € 4.000,- de kosten zeker niet onevenwichtig heeft verdeeld.

5.4. Betrokkene heeft een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Hij heeft twee collega’s genoemd die evenals hij in een vroeg stadium de zeedienst hebben verlaten maar aan wie geen dan wel een veel lager terugbetalingsverplichting is opgelegd. Uit niet met objectieve gegevens betwiste informatie van de kant van appellant is naar voren gekomen dat de ene collega niet in alle opzichten opleidbaar was en dat de andere collega verschillende keren en veel eerder aan zijn leidinggevenden te kennen had gegeven de zeedienst te willen verlaten. Beide omstandigheden gelden voor betrokkene niet. Reeds daarom is van gelijke gevallen geen sprake. Betrokkene kan dan ook niet met vrucht op het gelijkheidsbeginsel beroep doen.

5.5. De Raad is dan ook van oordeel dat bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit ten onrechte gegrond is verklaard. De aangevallen uitspraak moet dus worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.

6. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 3 juli 2006 ongegrond.

De uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en K. Zeilemaker en J.Th. Wolleswinkel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, in het openbaar uitgesproken op 4 december 2008.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) K. Moaddine.

HD