Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG3684

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-10-2008
Datum publicatie
10-11-2008
Zaaknummer
07-4988 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag. Op grond van de gedingstukken is niet vastgesteld dat appellant vrijheidsberoving in de zin van de Wet heeft ondergaan. Geen omstandigheden waarin verweerster aanleiding ziet tot gelijkstelling aan een vervolgde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/4988 WUV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (Indonesië) (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 23 oktober 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 5 juli 2007, kenmerk

BZ 47027, JZ/E60/2007, waarbij uitvoering is gegeven aan de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2008. Aldaar is appellant niet verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren in [geboortejaar] in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in juli 2006 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering en voorzieningen op grond van de Wet.

1.2. Deze aanvraag heeft verweerster afgewezen bij besluit van 26 januari 2007, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat niet is gebleken dat appellant vervolging heeft ondergaan in de zin van de Wet en dat de omstandigheden waaronder appellant tijdens de oorlog heeft verkeerd, geen aanleiding geven te onderzoeken of hij met de vervolgde gelijk gesteld kan worden.

2. Appellant kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Hij heeft aangegeven dat hij weliswaar tijdens de Japanse bezetting niet officieel in een kamp heeft gezeten, maar dat hij in feite hetzelfde leven had als de mensen die wel in een kamp geïnterneerd waren. Hij heeft daarbij gewezen op het feit dat het huis waar zijn familie woonde omringd was door Japanners en dat zijn moeder hetzelfde werk moest doen als de vrouwen die wel waren geïnterneerd en verder dat het gezin waartoe hij behoorde tijdens de oorlog onder zeer kommervolle omstandigheden heeft geleefd. Voorts heeft appellant gemeld dat zijn vader in Japanse krijgsgevangenschap heeft gezeten.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1. Op grond van artikel 2 van de Wet wordt, voor zover hier van belang, onder vervolging verstaan: handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië, welke werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun ras, geloof, wereldbeschouwing of homoseksualiteit dan wel hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling en welke hebben geleid tot vrijheidsberoving in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen, waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd.

3.2. Op grond van de gedingstukken heeft de Raad niet kunnen vaststellen dat appellant vrijheidsberoving in de hiervoor bedoelde zin heeft ondergaan. De Raad acht daarvoor onvoldoende dat appellant naar hij stelt, door de Japanse militairen in het huis naast dat van hem en zijn familie, voortdurend in de gaten werd gehouden. Een dergelijke situatie is, naar het oordeel van de Raad, niet op één lijn te stellen met internering in een permanent bewaakt kamp. Voorts komt uit de gedingstukken niet naar voren dat appellant maatregelen van de Japanse bezetter had te vrezen op grond van zijn, voor zover van belang, Europese afkomst of Europees gezinde instelling. Verweerster heeft dan ook op goede gronden geoordeeld dat appellant geen vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.

3.3. Met betrekking tot verweersters weigering appellant met de vervolgde gelijk te stellen overweegt de Raad het volgende. Een van de omstandigheden waarin verweerster aanleiding ziet tot gelijkstelling over te gaan is het aanwezig zijn bij met geweld wegvoeren van een ouder in gevangenschap dan wel het omkomen van een ouder tijdens vervolging. Beide omstandigheden doen zich in het geval van appellant niet voor. Zijn vader is weliswaar krijgsgevangen gemaakt, maar niet in aanwezigheid van appellant en voorts is deze vader na zijn krijgsgevangenschap teruggekeerd.

3.4. De overige oorlogsomstandigheden, zoals zij door appellant bij zijn aanvraag en in bezwaar zijn geschetst, heeft verweerster naar het oordeel van de Raad terecht aange-merkt als algemene oorlogsomstandigheden, waaronder in meer of mindere mate eenieder te lijden had. Deze omstandigheden, hoe kommervol wellicht, zijn niet zodanig uitzon-derlijk dat verweerster hierin aanleiding had moeten zien appellant met de vervolgde gelijk te stellen.

3.5. Dit betekent dat het beroep van appellant ongegrond verklaard moet worden.

4. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van Berlo als griffier, uitgesproken in het openbaar op

23 oktober 2008.

(get.) H.R. Geerling-Brouwer.

(get.) M. van Berlo.

HD