Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG3672

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-10-2008
Datum publicatie
11-11-2008
Zaaknummer
07-866 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. De rechtbank is buiten de omvang van het geding getreden, nu betrokkene de vraag of de primaire arts verzekeringsarts is, niet aan de orde heeft gesteld, terwijl dit punt niet geacht kan worden van openbare orde te zijn. Terugverwijzing naar rechtbank.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2008/471
USZ 2008/344 met annotatie van M. Koolhoven
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/866 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 januari 2007, 06/2362 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant.

Datum uitspraak: 31 oktober 2008

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Voor betrokkene heeft mr. M. Amrani, advocaat te Amsterdam, zich als gemachtigde gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2008. Appellant was vertegenwoordigd door mr. C.F. Sitvast. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Amrani.

II. OVERWEGINGEN

1. Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het besluit van appellant van 7 juli 2006 (bestreden besluit), waarbij de intrekking van de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 6 februari 2006 is gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van die uitspraak. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het medische onderzoek niet is verricht overeenkomstig de eisen van de artikelen 2, 3 en 4 van het Schattingsbesluit omdat het medische onderzoek in eerste instantie is verricht door een arts die geen verzekeringsarts is. Dit aan het primaire onderzoek klevende gebrek is naar het oordeel van de rechtbank in de bezwaarfase niet hersteld omdat de bezwaarverzekeringsarts niet zelf een medisch onderzoek als bedoeld in de artikelen 2, 3 en 4 van het Schattingsbesluit heeft verricht. Het bestreden besluit berust daarom niet op een juiste medische grondslag. De rechtbank heeft voorts overwogen dat het bestreden besluit evenmin op een juiste arbeidskundige grondslag berust omdat in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) sprake is van “verstopte” beperkingen.

3.1. Appellant heeft tegen deze uitspraak aangevoerd dat de primaire medische beoordeling heeft plaatsgevonden door de arts P. Brock. Uit zijn rapportage van 10 oktober 2005 blijkt dat een onderzoek is verricht conform alle regels, richtlijnen en protocollen. De arts heeft dossierstudie verricht en betrokkene op een spreekuur gezien, waar een oriënterend lichamelijk en psychisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts, W.M. Koek, betrokkene tijdens een hoorzitting gezien, informatie ingewonnen bij de behandelende sector en de FML aangepast.Voorzover al sprake is geweest van een gebrek in de primaire fase is dit volgens appellant hersteld door de medische heroverweging van de geregistreerde bezwaarverzekeringsarts.Appellant is voorts van mening dat geen sprake is van verborgen beperkingen in de FML, maar van toelichtingen bij een aantal items.

3.2. Betrokkene heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4.1. Ter zitting heeft de Raad ambtshalve aan de orde gesteld de vraag of de rechtbank de in artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde grenzen aan de omvang van het geding in acht heeft genomen. Dienaangaande overweegt de Raad het volgende. Betrokkene heeft in beroep aangevoerd dat hij meer beperkingen heeft dan door appellant is aangenomen en dat het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem niet gebruikt mag worden voor het beoordelen van de mate van arbeidsongeschiktheid. Hij heeft voorts gesteld dat het bestreden besluit strijdig is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank heeft ter zitting aan de orde gesteld de vraag of de arts Brock verzekeringsarts is en, nadat was gebleken dat hij geen verzekeringsarts is, het bestreden besluit om die reden vernietigd. Aldus is de rechtbank buiten de door artikel 8:69, eerste lid, van de Awb afgebakende omvang van het geding getreden, nu betrokkene dit punt niet aan de orde heeft gesteld noch geacht kan worden aan de orde te hebben willen stellen, terwijl dit punt niet geacht kan worden van openbare orde te zijn. De enkele stelling van betrokkene dat het bestreden besluit strijdig is met het zorgvuldigheidsbeginsel kan niet worden beschouwd als het aan de orde stellen van het punt dat de arts Brock geen verzekeringsarts is.

De Raad wijst er op dat hij ook in zijn uitspraken van 18 juli 2007 (onder meer gepubliceerd op rechtspraak.nl onder LJN-nummer BA9909) heeft overwogen dat hij geen aanleiding heeft gevonden het aspect dat het primaire medische onderzoek niet door een verzekeringsarts is gedaan ambtshalve te beoordelen. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.

4.2. De Raad zal de zaak terugwijzen naar de rechtbank omdat zij naar zijn oordeel nadere behandeling door de rechtbank behoeft. De rechtbank heeft zich niet uitgesproken over de vraag of appellant de juiste medische beperkingen voor betrokkene heeft aangenomen en ter zitting bij de Raad is dit punt niet aan de orde geweest. Bovendien heeft de gemachtigde van betrokkene ter zitting van de Raad aangegeven terugwijzing te prefereren boven afdoening door de Raad.

4.3. Gelet op het vorenstaande zal de Raad thans geen oordeel geven over de overige beroepsgronden van appellant. De rechtbank zal de medische grondslag van het bestreden besluit opnieuw moeten beoordelen; pas dan kan een oordeel worden gegeven over de FML.

4.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Wijst de zaak terug naar de rechtbank.

Aldus gegeven door G. van der Wiel als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en

B. Barentsen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2008.

(get.) G. van der Wiel.

(get.) M.D.F. de Moor.

TM