Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG3629

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-10-2008
Datum publicatie
11-11-2008
Zaaknummer
06-5609 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Juistheid medische beperkingen. Discrepantie tussen gepresenteerde klachten en bevindingen bij fysisch diagnostisch onderzoek. Aan ‘Verklaring van Kopenhagen’ over fibromyalgie als onderscheidende diagnose kan niet die waarde worden gehecht die appellante kennelijk voorstaat. Voldoende arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5609 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 18 augustus 2006, 06/558 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 oktober 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. N.F.J. Sijstermans, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een brief van 19 maart 2007 van een revalidatiearts ingezonden. De bezwaarverzekeringsarts van het Uwv heeft hierop gereageerd.

Bij brief van 8 september 2008 heeft appellante nog een verklaring ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2008. Appellante en haar gemachtigde zijn, zoals aangekondigd, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L.M.J.W. Prudon.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 19 augustus 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 18 oktober 2005 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.

2. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 19 januari 2006, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, zich verenigend met de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit, het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard.

4. In hoger beroep is door appellante aangevoerd - kort weergegeven - dat zij als gevolg van fibromyalgie meer beperkingen heeft dan door (de verzekeringsarts van) het Uwv in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) zijn weergegeven en dat zij als gevolg daarvan de werkzaamheden verbonden aan de haar geduide functies niet kan verrichten. Zij heeft in dit verband een beroep gedaan op de door haar ingezonden brieven van de fysiotherapeut J. van Pol van 20 maart 2006 en van de revalidatiearts E. Drossaer van 19 maart 2007 en voorts verwezen naar een ‘Verklaring van Kopenhagen’ uit 1992 inzake fibromyalgie als onderscheidende diagnose.

5. De Raad overweegt het volgende.

5.1. De Raad kan zich verenigen met de overwegingen in de aangevallen uitspraak over de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. De stellingen van appellante in hoger beroep, die grotendeels een herhaling vormen van hetgeen zij in eerste aanleg naar voren heeft gebracht, hebben de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.

5.2. De verzekeringsarts van het Uwv heeft appellante beperkt geacht voor zwaar fysiek en psychisch belastend werk en regelmatige wisseling van houding zinvol geacht. Voor meer beperkingen heeft hij geen aanleiding gezien, mede gelet op de door hem geconstateerde discrepantie tussen de gepresenteerde klachten en de bevindingen bij het fysisch diagnostisch onderzoek. De Raad ziet deze verzekeringsgeneeskundige beoordeling in lijn liggen met de bevinding van de behandelend chirurg dr. P.R.G. Brink in diens brief van 10 mei 2001, volgens welke het niet mogelijk was gebleken enig organisch substraat voor de klachten van appellante aan te tonen, alsmede met de bevindingen van psychiater M.M.M.G. Debije in diens rapport van 30 mei 2005. Het Uwv heeft de bevindingen van deze artsen in de beoordeling betrokken.

5.3. De in beroep overgelegde brief van fysiotherapeut Van Pol kan aan de beoordeling door het Uwv niet afdoen, reeds omdat voor de in deze brief summier aangegeven inschatting van de belastbaarheid van appellante geen onderbouwing op basis van objectief medische bevindingen wordt gegeven. De in hoger beroep overgelegde brief van de revalidatiearts kan evenmin aan de beoordeling door het Uwv afdoen op de gronden zoals aangegeven in de reactie van de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv van 4 juni 2007. Aan de door appellante ingezonden zogenaamde ‘Verklaring van Kopenhagen’ uit 1992 over fibromyalgie als onderscheidende diagnose ten slotte, kan niet die waarde worden gehecht die appellante kennelijk voorstaat. Daargelaten dat uit de gedingstukken niet blijkt van een zodanige ten aanzien van appellante gestelde diagnose, kan deze verklaring er niet aan afdoen dat het in deze procedure over de toepassing van de WAO slechts gaat om de op basis van objectieve medische feiten vast te stellen beperkingen van appellante bij het verrichten van arbeid. Daarbij is niet beslissend of er een bepaalde diagnose kon worden gesteld, en zo ja welke.

5.4. Uitgaande van de juistheid van de bij appellante vastgestelde medische beperkingen ziet de Raad geen reden om de geschiktheid van appellante om de werkzaamheden verbonden aan de haar geduide functies te verrichten in twijfel te trekken.

6. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen als voorzitter en H. Bedee en B. Barentsen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2008.

(get.) J. Riphagen.

(get.) R.L. Rijnen.

MH