Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BG3616

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-10-2008
Datum publicatie
11-11-2008
Zaaknummer
06-1841 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Fysieke en psychische klachten niet onderschat. In hoger beroep functie vervangen door reeds in de primaire fase voorgehouden reservefunctie en eerst in hoger beroep naar behoren gemotiveerd dat de schatting mede door die functie kan worden gedragen. Op grond hiervan proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1841 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 17 februari 2006, 05/1384

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 oktober 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.M.H.E.G. Lemmens, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweer uitgebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 februari 2008. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Lemmens; voor het Uwv is verschenen

M. Wardenburg.

Van oordeel dat het onderzoek niet volledig is geweest, heeft de Raad het onderzoek heropend en aan het Uwv vragen voorgelegd waarop door het Uwv is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 12 september 2008.

Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Lemmens; voor het Uwv is verschenen W.M.C. Höppener.

II. OVERWEGINGEN

1. Op 9 december 2002 is appellante voor haar werk als schoonmaakster uitgevallen met (als gevolg van cardiale klachten ontstane) psychische klachten in verband waarmee in de op 20 juli 2004 vastgestelde FML beperkingen zijn opgenomen.

2. Bij besluit van 12 augustus 2004 is geweigerd aan appellante per 8 december 2004 (lees: 2003) een WAO-uitkering toe te kennen onder overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt.

3. Bij besluit van 2 juni 2005 is het bezwaar van appellante tegen het besluit van

12 augustus 2004 ongegrond verklaard.

4.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank Maastricht het beroep van appellante tegen het besluit van 2 juni 2005 (bestreden besluit) gegrond verklaard en dat besluit vernietigd met bepaling dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven en met beslissingen over griffierecht en proceskosten.

4.2. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat - het volgende overwogen.

Er zijn onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat appellante op de datum in geding ernstiger beperkt was dan door het Uwv in navolging van de

(bezwaar-)verzekeringsarts is aangenomen; het Uwv heeft dan ook de belastbaarheid van appellante niet overschat. De schatting kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde functies met dien verstande dat bij de berekening van de resterende verdiencapaciteit de (vanwege niet in het maatmaninkomen van appellante opgenomen toeslagen voor afwijkende arbeidstijden) niet geschikt te achten functie met Sbc-code 111260 buiten beschouwing moet blijven en dat in plaats daarvan de wel geschikt te achten reservefunctie met

Sbc-code 272020 in beschouwing is genomen. Echter, omdat de arbeidskundige motivering eerst in beroep naar behoren is gegeven, heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd met bepaling dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven.

5.1. In hoger beroep (tegen de aangevallen uitspraak voorzover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven) heeft appellante primair gesteld dat zij in medisch (fysiek en psychisch in wisselwerking) opzicht zozeer meer is beperkt dan door het Uwv en ook de rechtbank is aangenomen dat zij reeds daarom per 8 december 2003 voor 80% of meer arbeidsongeschikt had moeten worden bevonden; in dit verband heeft zij gewezen op met name de door haar huisarts Van der Knaap en Riagg-psychiater Rongen verstrekte gegevens.

Subsidiair heeft appellante gesteld dat ook in beroep door het Uwv nog niet naar behoren is gemotiveerd dat de functies waardoor naar het oordeel van de rechtbank de schatting kan worden gedragen voor haar geschikt zijn, met name niet waar het betreft de van een “G” voorziene aspecten van die functies.

6.1. Wat de medische kant van de zaak betreft heeft het Uwv in navolging van zijn bezwaarverzekeringsarts Nasheed - Linssen in haar rapport van 6 juni 2006 het volgende aangevoerd.

De in hoger beroep overgelegde verklaring van de huisarts van 8 maart 2006 is niet goed met feiten onderbouwd, immers, aangenomen dat de klachten van appellante in september 1999 zijn begonnen (waarna zij “depressieve klachten, pijnklachten en moeheid” heeft ontwikkeld), dan zijn deze klachten door de huisarts zodanig gewaardeerd dat zij eerst op 30 mei 2005 naar een reumatoloog is verwezen en op 5 juli 2005 eenmalig op het spreekuur bij een reumatoloog en een verpleegkundig reumaconsulent is geweest.

De psychische klachten zijn door de psychiater geobjectiveerd en daarvoor zijn correcte beperkingen in de FML aangegeven.

6.2. Naar aanleiding van hetgeen psychiater Rongen in een drietal brieven van

11 juni 2004, 21 maart 2005 en 16 januari 2006 heeft vermeld en waaruit kan worden afgeleid dat appellante eind 2003 lijdende was aan een ernstige depressie die eerst geleidelijk is opgeklaard nadat vanaf begin januari 2004 (datum in geding is 8 december 2003) behandeling met medicatie en psychotherapie heeft plaatsgevonden, heeft de Raad het Uwv bij brief van 31 maart 2008 om een reactie gevraagd. Bezwaarverzekeringsarts Heijltjes heeft op 19 april 2008 geconcludeerd dat de medische gegevens die dateren van rond de datum in geding op dat moment geen (al dan niet zeer ernstig of ernstig) depressief beeld te zien gaven; er is toen per de datum in geding weliswaar uitgegaan van een psychisch klachtenbeeld, maar niet van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden; in dat verband heeft Heijltjes verwezen naar het rapport van verzekeringsarts Quaedvlieg met bevindingen op basis van eigen onderzoek van appellante op 24 oktober 2003 en naar de brief van Riagg-afdelingshoofd spreekuurteam Smith van 17 november 2003 met bevindingen op basis van een gesprek met appellante op 10 november 2003.

6.3. Wat de arbeidskundige kant van de zaak betreft heeft het Uwv mede naar aanleiding van de bij de hiervoor onder 6.2 vermelde brief van de Raad van 31 maart 2008 gestelde vragen gereageerd met een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige Saris van 6 mei 2008. Daarin heeft deze de functie met Sbc-code 272020 laten vallen en vervangen door de in de primaire fase aan appellante voorgehouden reservefunctie met Sbc-code 272070, welke hij na een nadere vraag van de Raad daarover in de rapportage van 24 juni 2008 gemotiveerd heeft gehandhaafd.

6.4. De conclusies van Heijltjes en Saris hebben het Uwv geen aanleiding gegeven om wat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 8 december 2003 betreft een ander standpunt in te nemen.

7.1. De Raad overweegt als volgt.

7.2.1. Evenmin als de rechtbank vermag de Raad in te zien dat appellante ten tijde in geding (8 december 2003) in fysiek en/of psychisch opzicht meer of ernstiger was beperkt dan na verzekeringsgeneeskundig onderzoek is vastgelegd in de op 20 juli 2004 opgestelde FML.

7.2.2. Appellante heeft gesteld tal van fysieke klachten te hebben. Blijkens de stukken is zij reeds sedert ongeveer 1988 bekend met hartklachten waarvan evenwel is komen vast te staan dat die ten tijde in geding met medicatie onder controle waren en het verrichten van werkzaamheden niet in de weg stonden. Na verwijzing door de huisarts op 30 mei 2005 heeft de reumatoloog Geusens op

12 juli 2005 de diagnose fibromyalgie bevestigd. Naar het oordeel van de Raad is niet aannemelijk geworden dat die medio 2005 bestaande medische situatie zich reeds op 8 december 2003 voordeed en per die datum tot het in de FML vastleggen van verdergaande beperkingen aanleiding had moeten geven. Het feit dat de huisarts eerst mei 2005 tot verwijzing naar een reumatoloog is overgegaan, vormt veeleer een indicatie dat de medische situatie ten tijde in geding niet (zo ernstig) was als door appellante gesteld.Bij de door appellante in hoger beroep overgelegde brief van de huisarts van 8 maart 2006 gaat het om een tweeregelige verwijsbrief welke inhoudt dat de klachten van appellante zijn begonnen in september 1999, waarna appellante depressieve klachten, pijnklachten en moeheid heeft ontwikkeld. Deze brief bevat geen enkel objectief medisch onderzoeksgegeven waaruit kan worden afgeleid dat de fysieke beperkingen van appellante op de datum in geding door het Uwv zijn onderschat.

7.2.3. Wat de psychische klachten betreft geldt voor de verwijsbrief van de huisarts hetzelfde als voor de fysieke klachten.Psychiater Rongen heeft in haar brief van 16 januari 2006 vermeld dat appellante vanaf oktober 2003 bij de Riagg in behandeling was. Dat ligt niet in lijn met de brief van Smith (Riagg) van 17 november 2003, waarin aan de huisarts wordt gemeld dat op

10 november 2003 een gesprek met appellante heeft plaatsgevonden en waaruit is af te leiden dat de psychische problematiek op dat moment niet meer vereiste dan kortdurende doelgerichte gesprekstherapie om appellante te leren beter stil te staan bij haar negatieve emoties en deze op een directere wijze te uiten. Die aanpak duidt niet op het op dat moment bestaan van een ernstige depressieve stoornis. Nadien is psychiater Rongen bij appellante betrokken, maar de door haar getrokken conclusies over de psychische toestand waarin appellante voordien heeft verkeerd (Rongen heeft in haar brief van 11 juni 2004 vermeld dat er sprake is van een ernstige, recidiverende, depressie die 15 jaar geleden is gestart en eigenlijk nooit volledig in remissie is geweest) worden door geen enkel tot de gedingstukken behorend en uit die periode daterend objectief medisch onderzoeksgegeven gesteund. Ter zitting van de Raad van 12 september 2008 heeft appellante desgevraagd verklaard dat de gegevens waarop Rongen zich heeft gebaseerd door Rongen grotendeels uit haar mond zijn opgetekend. Het door Rongen geschetste beeld vindt evenmin bevestiging in de verzekeringsgeneeskundige rapporten van 24 oktober 2003 en 20 juli 2004 welke mede zijn gebaseerd op onderzoek van appellante tijdens het spreekuur op die beide data.

De Raad is dan ook evenmin kunnen komen tot het oordeel dat het Uwv de op de datum in geding bestaande psychische beperkingen van appellante heeft onderschat.

7.3. Uitgaande van de in de van 20 juli 2004 daterende FML vermelde fysieke en psychische beperkingen acht de Raad door het Uwv genoegzaam aangetoond dat appellante ten tijde in geding in staat was te achten de uiteindelijk in hoger beroep overgebleven functies met Sbc-code 111334, 111333 en 272070 te vervullen. De bezwaararbeidsdeskundige Saris is er met hetgeen hij in zijn rapporten van 6 mei 2008 en 24 juni 2008 heeft vermeld in geslaagd de Raad ervan te overtuigen dat er in die functies geen sprake is van veelvuldige deadlines of productiepieken en evenmin van een hoog handelingstempo.

8. Gelet op het vorenstaande slaagt het hoger beroep van appellante niet. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd voorzover aangevallen. Echter, aangezien het Uwv in hoger beroep de functie met Sbc-code 272020 heeft vervangen door de reeds in de primaire fase aan appellante voorgehouden reservefunctie met Sbc-code 272070 en eerst in hoger beroep naar behoren heeft gemotiveerd dat de schatting mede door die functie kan worden gedragen, ziet de Raad aanleiding het Uwv te veroordelen in de door appellante in hoger beroep gemaakte proceskosten voor rechtsbijstand tot een bedrag van € 966,-- en aan reiskosten (van alleen appellante zelf) € 40,26 en voorts te bepalen dat aan appellante het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht wordt vergoed. Daar in hoger beroep aan appellante een toevoeging krachtens de Wet op de rechtsbijstand is verleend, dient het bedrag van de proceskosten ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te worden betaald aan de griffier van de Raad.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevallen;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten ten bedrage van in totaal € 1.006,26, door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat aan appellante het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 105,-- wordt vergoed door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J. Brand en

I.M.J. Hilhorst - Hagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van

D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2008.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) D.W.M. Kaldenhoven.

GdJ